reizen op zondag?
Ter zake!
Kritiek op deze rubriek? Ja, inderdaad! Van de gecombineerde Hoofdbestuurs-en districtsbesturenvergadering, kort geleden gehouden, hebben we gehoord dat de artikelen verschillende lezers niet bevallen. Waarom niet? De onderwerpen vindt men niet interessant en niet aktueel: „ouwe koeien"! Ons antwoord: wat jammer dat we dat niet rechtstreeks hebben gehoord. Zo langzamerhand is het toch wel duidelijk geworden, dat iedereen bij ons kan zeggen wat ie op z'n hart heeft! En bovendien, wij schrijven toch over onderwerpen die de lezers zelf naar voren brengen? En daarom nogmaals d.e uitnodiging ook aan onze critici: schrijf ons! Kom voor de dag!
Een andere opmerking was: elk artikel moet een afgerond geheel zijn; het slot moet in een antwoord eindigen! Dan zeggen wij: we willen liever niet alleen zélf aan het woord zijn. We luisteren ook graag naar de mening van anderen. Zo alleen komen we tot een echt gesprek. Geven wij zelf al direct in het eerste artikel onze eigen mening (en welke waarde heeft die? !), dan kan dat voor velen een afsluiting van verdere discussie betekenen. En om die discussie is het ons juist te doen! Maar, zal iemand zeggen, dat houdt toch niet in dat je zóveel artikelen aan één onderwerp moet wijden. Mcgen we een klein rekensommetje maken? Stel eens dat we op 6 september beginnen met de vraag „reizen op zondag? " We verkeren in de gelukkige omstandigheid dat hierover bij de start al vier brieven op ons bureau liggen (dit zouden er ook maar één of twee kunnen zijn). We beginnen op deze datum het eerste artikel dat 20 september (veertien dagen later!) verschijnt. Maar op dat moment moet ons tweede artikel voor 4 oktober al weer de deur uit, nog steeds terend op de brieven die we nog in voorraad hadden. Vanaf 20 september komen de reakties binnen op ons allereerste schrijven. Die geven we dan door in het nummer van 18 oktober. Als dan de zaak een beetje op gang is, zijn er al drie nummers
aan het onderwerp gewijd. En eerst als er meer reakties binnenkomen kan het gesprek pas wat flitsender worden. Een andere mogelijkheid is er naar onze mening niet. Of we moeten er een grote hutspot van maken: een brief komt binnen en wordt beantwoord. De volgende keer weer een andere vraag. Gaat dan toch iemand nog op die eerste vraag verder door, dan komt dat drie nummers later nog eens aan de orde. Dit kun je moeilijk nog een gesprek noemen! Voorlopig gaan we daarom nog maar op de ingeslagen weg voort. Tenzij we suggesties voor een betere methode ontvangen. Ook die brieven zien we met belangstelling tegemoet.
Nog één ding: die „ouwe koe" zit ons dwars. We hebben gehoord dat b.v. het reizen op zondag een overwonnen standpunt zou zijn. „Wie praat daar nu neg over. Dat is toch geen probleem meer!" (dit was niet in de goede zin bedoeld). Dan zijn we juist blij dat een van onze jongens hierover begonnen is, want dit „overwonnen" standpunt is dan voor ons toch een bijzonder veeg teken. Daarom gaan we graag met deze vraag verder.
Ja of nee?
Een van de briefschrijvers heeft scherpe tegenstellingen getrokken door Klaas en dominee X als uitersten tegenover elkaar te plaatsen. Schrijver zelf weet er geen antwoord op. Alleen „de meeste van die is de liefde". Inderdaad. Maar dan in de eerste plaats de liefde tot God. Is dié aanwezig, dan zal deze zichtbaar moeten worden in ons leven, ook in het leven van een militair. Maar óók in het oordelen over de militair. We staan zo gauw klaar met onze pertinente uitspraken en sluiten ons verder af voor elk toenaderend gesprek. En daarom is het ook zo fijn dat we in deze rubriek van allerlei kanten (zelfs van buiten de gemeenten) reakties ontvangen. Voordat het voorbeeld van Klaas in Daniël verscheen, kregen we een brief van een jongen die in veel opzichten op Klaas lijkt. Hij vroeg zich niet af wat anderen deden, maar zag als enige uitkomst de weg naar boven: het gebed.
Nood leert bidden!
Nood leert bidden! „In september '66 werd ik onder de wapenen geroepen in Maastricht. Ik woon in Rotterdam. Dus mijn eerste gedachten waren: ver weg, allemaal Rooms daar enz. En omdat ik niet op zondag wilde reizen maakte dit vooruitzicht het mij niet gemakkelijker. Ik kwam daar in een omgeving die ik nog nooit eerder had meegemaakt: vloeken en schuttingtaai waren niet van de lucht. Ik was alleen; nog geen enkele bekende ontmoet. Soms was ik de radeloosheid nabij. Wat moest dat
worden? Het is waar: nood leert bidden. Onder het corveeën, onder het wapenonderhoud. Ik vroeg om een vriend, om bijstand van boven. God hoorde en verhoorde. Hij gaf mij een vriend, niet één, maar twee! God bracht ons bij elkaar in het Protestants Militair Tehuis. Eén van mijn toekomstige vrienden was daar aan het praten met de plaatselijke predikant over inenten en zondagsreizen. Ik ging erbij zitten. Stomme verwondering. God had mij een vriend gegeven! Niet dat alles nu ineens anders werd. Maar je had steun aan elkaar, je kon over dezelfde dingen praten als thuis. En wat zo fijn was: in dienst vallen gelukkig vaak de kerkmuren weg. Mijn vrienden waren Chr. Geref. en Ger. Gem. uitgetreden.
Zoudt gij verstaan waar Hij U leidt? vertrouw Hem waar Hij gaat. Zijn duistere voorzienigheid verhult Zijn mild gelaat."
Eenzaam?
Zou deze jongen zich in het begin niet ontzettend eenzaam hebben gevoeld? Durfde hij zeggen dat hij zich tegen de situatie opgewassen voelde? Nee! „Soms was ik de radeloosheid nabij". En toch ? Hij heeft niet de weg van de minste weerstand gekozen. Of juist wel? Immers, God is overal en waar je ook bent hoort Hij je. Hij vraagt nooit teveel van je. Hij weet wat we in allerlei situaties nodig hebben en wil ons dat ook geven als we Hem daarom oprecht bidden.
Is deze jongen een uitzondering? De brieven getuigen van het tegendeel. Zo lezen we in een andere brief: „Laat in je diensttijd zien wat je aan God hebt! Dan heb je dat aan je diensttijd dat je in je eenzaamheid ervaart dat je helemaal niet eenzaam bent, maar dat de Heere aan je denkt. De jongens van de kamer deden na verloop van tijd niet meer wat zij voorheen wél deden en sommigen bleven zelfs óók in de kazerne, als er 's zondags gereisd moest worden".
Wil dit nu zeggen dat deze jongen nooit getwijfeld heeft? Dat hij altijd rotsvast stond en er nooit andere gedachten in hem opkwamen? Nee! „Vaak was ik de strijd moe. Altijd maar voor je principe uitkomen Het hielp toch geen zier! En dan die eenzaamheid tegenover de huiselijke gezelligheid. Toch dwaas eigenlijk? Doe méé! Wat heb je aan die armoe en geen haan die er naar kraait! Ik kan alleen maar zeggen: de Heere hield mij vast! Als ik geen raad meer wist zei Hij: „dce Mij uw stem horen, toon Mij uw gedaante". Zo alleen kon ik erdoor! Waag het eens met Gcd, met Zijn Woord! Zoek niet de weg van de minste weerstand! Je zult het zien: die Mij eren, zal Ik eren".
Een verschoppeling?
„En als je 's zondags in de kazerne blijft en naar de kerk gaat, dan word je al heel gauw de verschoppeling van je kamer en wat heb je dan aan je diensttijd? " Is dat zo? Is dit werkelijk een feit of verwacht je alleen maar dat je een verschoppeling zult worden? Heb je het al eens echt geprobeerd? Je moet dan natuurlijk niet alleen op dit punt blijven staren, maar je héle houding in dienst moet die van een christen zijn. Een van de jongens schrijft: „Door de reden van mijn niet reizen op zondag naar voren te brengen bij gesprekken met mijn medemilitairen heb ik begrip bij hen gevonden. Ze kunnen het zich goed voorstellen en hebben respect voor mijn standpunt". Dit is ook de mening van een marechaussee: „het niet reizen op zondag werd bij ons altijd gerespecteerd. Er zijn helaas veel jongens van onze gemeenten die wel op zondag reizen. Telkens weer viel het me op dat velen zich door valse schaamte lieten weerhouden om voor hun principe uit te komen. Ze zijn vaak bang dat ze uitgelachen worden. Maar uit ondervinding weet ik dat de andere militairen, ja zelfs ook meerderen, een principiëel militair meer waarderen dan een slappeling". Zelfs een oud-beroepsmilitair heeft op deze vraag gereageerd. Hij raadt onze jongens o.a. aan: „Gedraag je in alles als een christen. Als een commandant ziet dat je overeenkomstig je overtuiging je gedraagt (p.s. ook hieruit blijkt weer dat het om je hele houding gaat), is het vaak mogelijk om ook de zondag in ere te houden". We moeten er wel even op letten dat deze oud-gediende zegt dat het vaak mogelijk is, dus niet a 11 ij d. Dat heeft
die jongen ervaren die zegt: „Als iedereen naar huis ging en twee (wij waren met z'n tweeën) niet, dan moest een officier voor die twee dienst doen. Dus je begrijpt wel dat wij niet bepaald in de gunst vielen. Maar mijn ervaring is: de kamergenoten accepteren je wel, maar het kader doet dat niet!"
Een verschoppeling? Soms wel, soms niet. Maar hoe moeilijk dit ook is, uiteindelijk gaat het daar niet om. Laat de nood ons leren bidden om genade, om de liefde tot God en daarmee ook de moed alleen te Donderdag 14 november durven Matth. staan. 16 Dan : 1-20 zegt de Heere 1 Thes. Jezus:3 „Zalig Vrijdag ben je 15 als november de mensen je smaden en vervolgen om Mijnentwi 1". Durf alleen Matth. te staan, 16 : durf 21-28 voor en 17 je : 1-8 mening 1 Thes. uit4komen. Maar opgepast: aten we het niet-op-zondag-reizen Zaterdag 16 november niet als een „heilige koe" gaan vereren, waarbij we onszelf op de Matth. borst zouden 17 : 9-27 slaan. Maar 1 laten Thes. we 5 erom bidden dat het ons bij al deze dingen alleen om Gods eer te doen is.
Bleulandweg 298 Gouda.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1968
Daniel | 16 Pagina's