JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

HET WOORD GAAT VOORT (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET WOORD GAAT VOORT (5)

Oude vrienden

7 minuten leestijd

De Griekse Joden

Saulus is dus na veel wantrouwen opgenomen in de kring van de gemeente van Jeruzalem. Hij was met hen ingaande en uitgaande, staat er (Hand. 9 : 28). Saulus is niet zolang daar in Jeruzalem geweest. Maar ruim twee weken. Hoe komt dat zo? Wel, Saulus is niet alléén naar deze stad gegaan om Petrus te bezoeken. Dat moet overigens wel een geweldige ervaring zijn geweest voor hem. Wat zouden we nog graag eens de gesprekken horen, die deze broeders samen hebben gevoei'd! Maar de Schrift is erg sober, en we weten er dus niets van. Er zijn daar in Jeruzalem op dat moment trouwens maar twee apostelen aanwezig. Behalve Petrus is daar alleen nog Jakobus, de broeder des Heeren. Deze Jakobus is een zeer belangrijk man in de gemeente van Jeruzalem. Hij is een „broeder van de Heere", een zoon dus van Jozef en Maria. En hoewel hij eigenlijk helemaal geen apostel (d.w.z. één der discipelen van de Heere Jezus) is, wordt hij toch in Galaten 1 : 19 door Paulus een apostel genoemd. We hopen later nog wel uitvoeriger op hem terug te komen, want het is zeer de moeite waard eens wat nader bij hem stil te staan. Maar goed, Saulus is dus niet alleen naar Jeruzalem gekomen om met de apostelen en d.e gemeente kennis te maken. Neen, want op zijn gemoed drukt nog een zware last. In Jeruzalem leven zijn vroegere vrienden nog! De studenten, met wie hij gestudeerd had aan de voeten van Gamaliël en met wie hij vroeger zo vaak had geboomd. Maar vooral de Griekse Joden, die de fanatiekste ij veraars waren tegen de sekte van Jezus van Nazareth. Dit waren zijn vroegere vrienden, met wie Saulus drie jaar geleden de stoot had gegeven tot de moord op Stefanus. Samen met hen had hij de naam van Jezus gelasterd en gesmaad. En kijk, dat drukt nu op Saulus' hart. Hij móét dit rechtzetten. Hij voelt dat het zijn dure roeping is, nü van deze Jezus goed te spreken, en wel tegen zijn oude vrienden. Ik geloof dat iedereen, die een deel van zijn leven in de zonde doorbracht, en later tot de Heere is bekeerd, wel iets kent van dit verlangen, deze drang, om de smaad, die door hem openlijk de Heere is aangedaan, nu ook openlijk weer weg te wissen. Maar ik geloof ook, dat er haast niets moeilijker is, dan te „getuigen" (in de ware en volle zin des wcords!) tegen vroegere vrienden. Wij hebben zo vaak te kampen met valse schaamte, wij zijn zo vaak bang vcor ons eigen hachje; ach, leerden we toch allen eens wat meer, dat het nodig is onszelf helemaal, maar dan ook helemaal over te hebben voor de Heere. Heeft de Heere Jezus Zichzelf niet helemaal over gehad voor verloren zondaren? Voel je nu, wat het betekent, als er staat, dat Saulus vrij moedig sprak in de Naam van de Heere Jezus, en dat hij „handelde tegen de Griekse Joden"? Juist daar, waar iedereen hem zo goed kende, spreekt Saulus vrijmoedig, dat wil zeggen, hij heeft er zichzelf voor over. Hij waagt het met de Heere. Wel, wie oren heeft, die hore!

Vertrekking van zinnen.

Het wordt haast eentonig: maar dezen (de Griekse Joden) trachtten hem te doden" (Hand. 9 : 29). De boodschap wordt verworpen. Is Saulus' vertrouwen in d.e Heere nu toch beschaamd? Neen. Want voor een Evangelieprediker is het. niet het belangrijkste, dat zijn boodschap geloofd wordt! Het is natuurlijk wel groot, als een prediker vruchten op zijn arbeid ziet, ja, het is zelfs een bevestiging van zijn roeping.

Maar het belangrijkste mag het niet zijn. Voor de prediker moet de voornaamste vraag zijn: Spreek ik, wat de Heere wil, dat ik spreek? " Denk eens aan Ezechiël! Wat zegt de Heere tot hem? „Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls. Zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen!" (Ezech. 3 : 17). En dan zegt de Heere tot de profeet, dat hij de goddelozen moet waarschuwen, dat ze sterven zullen. En als hij verzuimt hen te waarschuwen, zal de Heere het bloed van de goddeloze van Ezechiëls hand afeisen! En als de profeet de goddeloze wél waarschuwt, maar deze bekeert zich niet, dan heeft Ezechiël toch zijn plicht gedaan en „zijn ziel bevrijd". Wel, zo moet nu een prediker leven, dacht ik. Véél belangrijker dan bekeerlingen te zien, is het, te weten te spreken zoals de Heere wil. En zó sprak

ook Saulus. Maar het is tóch wel erg ontmoedigend, als er geen vruchten komen op ons werk.

Want zou de reden van de verwerpingvan onze boodschap niet liggen in onszelf? Zeggen wij de dingen vaak niet te hard, te liefdeloos, ja, te Geeste-loos? Zitten wij er niet veel te vaak zelf tussen? Heeft Saulus deze aanvechtingen ook gekregen?

Op zekere dag bidt hij in de tempel. Elke prediker, die niet „bidt zonder ophouden", die niet elk uur van de dag de bede in het hart heeft: Heere, help me toch! Heere, geef toch liefde in mijn hart, geef toch de goede woorden in mijn mond", die schiet tekort. Elke prediker, zei ik; ik bedoel: lke gelovige. Wij zijn in ons hart op dit gebied erg rooms, vrees ik. Velen achten het bidden zonder ophouden, het dagelijks verkeren met de Bijbel, een zaak die goed is voor predikanten en ouderlingen, maar waar zij, gewone kerkmensen (leken!) geen tijd (lust? ) voor hebben. Maar Saulus bidt. Als er één de kracht en de noodzakelijkheid van het gebed heeft ingezien, dan is het Saulus van Tarsen wel. Het begon al direct na zijn bekering. Zie, hij bidt! Ook nu bidt hij, in de tempel. En dan plotseling gebeurt het: et gedruis van het offerritueel, dat in de tempel altijd te horen was, valt weg. Het is hem, alsof elke grens van tijd en ruimte vervaagt. En dan hoort hij een stem. De Stem van de weg naar Damascus! Meer nog: aulus ziet Degene, Die spreekt (Hand. 22 : 18). Hier stokt mijn pen. Onze verbeelding moet hier halt houden. We betreden heilige grond. Alleen de woorden, die de Heiland tot Saulus sprak, zijn bewaard gebleven: Spoed u, en ga in der haast uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van mij niet aannemen". En dan moet U dat ontroerende antwoord van Saulus eens lezen: Heere, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp, en in de synagogen geselde, die in U geloofden; en toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar óók bij stond, en mede een welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden!" (Hand. 22 : 19, 20). Hij wil zeggen: Heere, geef mij toch de kans, om de smaad, die ik op Uw Naam geworpen heb, zelf weer uit te wissen. Ik ben bereid er desnoods mijn leven voor te geven, Heere, als zij niet horen willen!"

Is vluchten laf?

Maar de Heere heeft andere gedachten. Het laatste wat Saulus in zijn „vertrekking

het woord gaat voort

van zinnen" hoort is: „Ga heen, want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden!"

De Heere licht hier weer een tipje op van de sluier van het geweldige voornemen, dat Hij met Saulus heeft. Merkwaardig: de Heere gebiedt Saulus hier dus te vlucht e n. En dat in der haast. Wij redeneren vaak zo: een dienaar van het Evangelie heeft getrouw te blijven tot de dood, dus ook al nemen de mensen zijn getuigenis niet aan, heeft hij toch te blijven. Vluchten is laf en ongelovig. Maar zó spreekt de Schrift toch niet. Saulus' vlucht heeft niets te maken met lafheid of ongeloof. Zij heeft alles te maken met de woorden van de Heere Jezus Zelf:

„Wanneer zij u in deze stad vervolgen, vliedt in de andere" (Matth. 10 : 23; lees ook Jezus' woorden in Matth. 10 : 11-15 eens!). Saulus' taak in Jeruzalem is voorlopig afgelopen. Tegenover zijn oude vrienden is zijn geweten nu vrij. Ook de broeders zien in, dat Saulus nu wegmoet, en wel zo snel mogelijk. Ze begeleidden hem naar Caesarea (!), en zonden hem af naar Tarsen. Saulus is terug in zijn geboortestad. Maar wanneer zal hij nu eindelijk het zendingsveld opmogen? Dat zal nog jaren duren, dat hopen we over veertien dagen te zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1968

Daniel | 16 Pagina's

HET WOORD GAAT VOORT (5)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1968

Daniel | 16 Pagina's