Moeder en dochter (3)
Hier volgt het slot van het referaat van mevr. W. H. van Hell-Hulsman, gehouden op de Landdag.
Moeder en dochter (3)
Leiding, liefde, belangstelling en steun. Ze beginnen een eigen mening te krijgen. Ze kunnen het best zelf in eigen ogen doen. Ze hebben hun moeder hard nodig, maar laten dit lang niet altijd merken. Ze kunnen je ook vaak met hun woorden verdriet doen.
En toch houden ze van je. De één laat dit merken door een verrassing, die ze zelf hebben opgespaard, mee te brengen. Weer anderen door voor je op te komen tegen een jonger broertje of zusje. Ik heb pas een gesprek gehad met m'n eigen dochter van 13 jaar.
't Ging over vriendinnen. Ze was tot de ontdekking gekomen, dat zelfs de beste vriendin karakterfouten had, waar zij zich aan ergerde, 't Gesprek ging lekker, 't Bleef niet over vriendinnen gaan nee, over allerlei andere dingen; 't werd een heerlijk, vertrouwelijk gesprek. Toen ze even later naar bed ging, kreeg ik een extra stevige kus en ze zei me: „De beste vriendin is toch nog je moeder." 't Deed me machtig goed, dat begrijpt u.
Wij willen zo graag, dat onze dochters over veel dingen hetzelfde denken als wij. Dit kan niet altijd. Ons kind is weer een andere persoon, met een eigen mening, eigen smaak, en een eigen karakter.
Hoe veel wij ook van onze kinderen houden, toch moeten wij ook vaak „n e e n" zeggen. „Ja" zeggen is vaak veel gemakkelijker, maar in 't belang van onze kinderen, moeten we soms „neen" zeggen. Als ze klein zijn al, en later eveneens. Krijgt een kind na het woord „neen" door zeuren toch zijn/haar zin, dan is dit voor ons wel gemakkelijker, maar wij doen hen er te kort mee.
„Neen" is vaak een teleurstelling voor het kind, die het moet leren te verdragen. Heeft een kind dit niet jong geleerd, later is dit leren veel moeilijker, want als ze op eigen benen staan, komen er ook teleurstellingen en die zijn niet met zeuren weg te werken.
Volgens onze doopbelofte moeten wij vaak „neen" zeggen, maar dan moeten wij ook het waarom van dit „neen" vertellen. Wij mogen op z'n tijd ook „ja" zeggen, als wij weten, dat dit volmondig kan zijn, dat wij onze kinderen dit „ja" toe kunnen vertrouwen.
Prof. Waterink schrijft in een van zijn boeken: Heb de moed en de kracht om „neen" te zeggen, als het „neen" moet zijn. En heb het vertrouwen en durf om „ja" te zeggen, als het „ja" mag zijn. En als het dan „ja" of wel wanneer het „neen" moet zijn, beveel dan altijd uw kinderen aan i< n Gods handen.
Als onze dochter groter wordt, kan het, o, zo gezellig zijn. Ik geniet tenminste van m'n dochter van 13, ook al zijn er heus wel eens strubbelingen. Hoe leuk is het, om samen iets te doen, winkelen, of samen een jurk naaien, zelfs samen vaat wassen kan gezellig zijn. Dan komen ook vaak de fijnste gesprekken, zo maar vanzelf.
Hoe ouder onze dochters worden, hoe meer ook moeten wij met hen praten, tot we hen heel langzaam kunnen en moeten loslaten. Ze worden immers steeds zelfstandiger en wij hebben hen toch opgevoed tot d i e zelfstandigheid. En als zij eenmaal op eigen benen staan — of dit komt, doordat ze getrouwd zijn, of doordat ze een zelfstandige baan hebben, als ze volwassen zijn, dan moeten wij ons niet overal mee bemoeien.
Een kind, dat pas leert lopen, valt wel eens. Dat is pijnlijk, maar het leert er van.
Een meisje, dat volwassen is, zal zich ook wel eens bezeren, maar het leert er ook van.
Opvoeden! Een mooie taak, een moeilijke taak. Een taak, die wij niet alleen kunnen. Dit vergeten we vaak, o zo gauw. Wij mogen om hulp en bijstand vragen en we mogen en moeten onze kinderen leren, die hulp en bijstand te vragen bij de grote Helper. Wij vinden vaak, dat we het alleen wel kunnen, maar ontdekken iedere dag weer, dat het alleen niet gaat. Wij proberen het goede voor onze kinderen te zoeken, ook in aardse dingen, maar er zijn belangrijker zaken. Gaan wij hen ook daarin voor? Juliana van Stolberg schreef veel aan haar kinderen: „Stel toch nooit de tijdelijke dingen, het tijdelijk voordeel, boven uw eeuwige belangen."
Brakel schrijft in zijn Redelijke Godsdienst: „Voedt uw kinderen op in de lering en vermaning des Heeren." Het kind moet men leren de betekenis van de doop, waaraan het verzegeld is, waartoe het verplicht is. Welgelukzalig is zulk een mens, zijn zulke huisgezinnen. Daar zal de Heere Zijn zegen gebieden en het leven tot in eeuwigheid.
Nu de verhouding tussen dochter en moeder.
In de Bijbel staat ook een voorbeeld van een dochter, die tot haar moeder ging om raad. Dat was Herodias' dochter.
Zij kreeg raad en volgde die op. Maar het was een slechte raad. Ik hoop, dat wij een moeder hebben of gehad hebben, die wij konden eren, en die ons goede raad gaf. Ik heb zelf een schat van een moeder gehad en de raad, die zij ons gaf, was goed en toch hebben wij die niet altijd opgevolgd. Achteraf ontdekken we vaak, hoeveel verdriet we onze ouders gedaan hebben, al waren het soms maar kleinigheidjes in onze ogen.
Hoe staan wij nu tegenover onze moeder? Ook al zijn we volwassen, laten wij onze ouders eren. Ook al worden onze ouders oud, ze hebben recht op onze achting. Laten we niet vergeten, dat, al zijn wij volwassen, zij veel meer levenservaring bezitten dan wij. Al zijn we nog zo zelfstandig en volwassen, wij kunnen juist van de ouderen — vooral van onze moeder — nog zo heel veel leren.
Ook schoonouders zijn onze ouders. Ook hen hebben wij te eren. Vaak vergelijken we hen met onze eigen ouders — dit kan niet, — zij zijn heel anders, zij hebben een eigen persoonlijkheid. Maar laten we hen, als de ouders van onze man, ook liefhebben.
Ruth en Orpa hadden de zelfde schoonmoeder. Ook Orpa zal waarschijnlijk wel van Naomi gehouden hebben; ze huilde immers bij het afscheid. Maar Ruth nam geen afscheid. Zij wilde bij het volk van Naomi horen. Maar bovenal bij de God van Naomi. Dat gaf de doorslag bij Ruth. En Ruth is gezegend door deze keus. Als een meisje volwassen is, laat zij zich clan ook volwassen gedragen. Dan kan ze ook met haar ouders praten, als volwassenen tegen elkaar. Maar de plicht, de ouders te eren, blijft, hoe oud zij en wij ook zijn.
Toch kunnen er zich moeilijkheden voordoen, b.v. dat ouders het niet eens zijn met onze keus, als wij met een jongen thuiskomen. Ouders mogen „neen" zeggen tegen haar keus, als het werkelijk in 't belang is van hun dochter. Alleen als er geldige redenen zijn, mogen ouders tegen een verloving of huwelijk zijn. Als de verhouding ouders en dochter goed is, kan hier openlijk over gesproken worden. Vraag dan, wat die geldige redenen zijn en onderzoek of zij gelijk hebben. Een van die redenen kan het verschil in kerk zijn. Dit kan een heel moeilijk probleem zijn.
Mijn zoon vroeg ons eens, toen hij zo'n jaar of zes was, of hij wel bidden mocht om een vrouw als hij groot was. Wij zeiden: „Ja, hoor, dat mag gerust, maar vraag er bij om een goede vrouw" en we legden hem uit, dat jongens wel eens trouwen met een meisje, dat nooit naar de kerk gaat, en dat dit toch niet goed is. Zijn reactie was: „O, nee hoor, dat vraag ik niet, als ik later een vrouw van de Heere krijg, dan zal het wel goed zitten, want de Heere zal me toch geen verkeerde geven."
't Is kinderlijk, maar ik vond, dat er toch wel veel uit te leren viel. Bidden wij ook om zulke dingen? Vaak veel te weinig!
Staan wij eerlijk en open tegenover onze ouders?
Als er moeilijkheden zijn tussen ons en onze ouders, laten we die dan proberen op te lossen.
Wij hebben onze ouders vaak verdriet gedaan.
Als zij nog leven, kunnen wij nog liefde geven.
Einde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1968
Daniel | 16 Pagina's