JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

ontwikkelingshulp

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ontwikkelingshulp

8 minuten leestijd

slot)

In ons derde artikel hebben we iets gezien van de grote nood en ellende die er heerst in de ontwikkelingslanden, alsmede van de wijze waarop ze bestreden wordt.

De handel met de ontwikkelingslanden: een moeliijk probleem.

De hulp, die langs verschillende kanalen de ontwikkelingslanden bereikt, is alles bij elkaar genomen vrij omvangrijk. Ze helpt de situatie in de ontwikkelingslanden verlichten, maar de verbetering die tot stand wordt gebracht mag slechts gradueel worden genoemd.

Er zou een andere, zeer belangrijke bron ter vergroting van het inkomen der ontwikkelingslanden kunnen bestaan en dat is: het internationale handelsverkeer met hen. Niet voor niets is in 1964 in Genève en dit jaar in New Delhi een Wereldhandelsconferentie gehouden, waarvan we globaal kunnen zeggen dat ze beide mislukt zijn. Het ging op deze conferenties in wezen om een sociaal vraagstuk. Immers, het inkomen van de ontwikkelingslanden bestaat vrijwel geheel uit de opbrengst van grondstoffen en landbouwproducten. De industrie ontbreekt daar voor een groot deel, soms is men voor het nationale inkomen afhankelijk van enkele, zelfs van één product (de export van Brazilië b.v. bestaat voor meer dan 70 % uit koffie, die van China voor 66 % uit cacao, die van Egypte voor 75 % uit katoen en rijst). Daalt de wereldmarktprijs, dan betekent dat voor zo'n land een ernstige zaak, soms een ramp. De vraag naar grondstoffen uit ontwikkelingslanden is sedert de Tweede Wereldoorlog relatief gedaald.

Verscheidene grondstoffen worden in de industrielanden geleidelijk door kunststoffen vervangen; zo wordt b.v. katoen verdrongen door kunstvezels, natuurrubber door synthetische rubber. Een daling van de vraag houdt tevens een daling van de prijs in.

De arme landen achten het redelijk dat de rijke landen de prijzen van de grondstoffen uit de ontwikkelingslanden stabiliseren op een redelijk niveau. De wil om dat te doen ontbreekt in de industrielanden.

We moeten verder bedenken dat de prijzen van de industrieproducten, die de ontwikkelingslanden uit de rijke landen betrekken, steeds duurder worden, zodat de arme landen terecht klagen over een ruilvoetverslechtering. (de ruilvoet is het getal dat aangeeft hoeveel goederen een land kan importeren in ruil voor haar export). Bovendien worden de exportproducten uit de ontwikkelingslanden zoveel mogelijk uit de rijke landen geweerd door hoge invoerrechten. Deze invoerrechten worden steeds hoger, naarmate de producten in een verder stadium van bewerking zijn. Een eenvoudig voorbeeld levert de cacao De invoerrechten op cacaobonen in de E.E.G.landen bedragen 5 °/o, maar op cacaoboter en cacaopoeder springen ze omhoog tot 136 °/o. Een vrije invoer van producten uit de ontwikkelingslanden achten vele westerse landen een gevaar voor de eigen industrie.

Willen w ij wel helpen?

In alle toonaarden hebben de ontwikkelingslanden in New Delhi bezongen dat bij de rijke landen de politieke wil ontbreekt om de arme landen te helpen. Bij de opening van d.e conferentie heeft de Indiase premier mevrouw Gandhi opgemerkt dat het voor de welvarende industriestaten niet de vraag is of zij zich kunnen veroorloven om de ontwikkelingslanden te helpen, maar of zij het zich kunnen veroorloven dat niet te doen. Door de mislukking van New Delhi is een grote mate

van wrevel ontstaan onder de arme landen; hoe zal die zich afreageren?

Er zijn mensen die tegen de hulpverlening aan ontwikkelingslanden allerlei bezwaren aanvoeren en die tot de slotconclusie komen dat ontwikkelingshulp zinloos is. Enkele van de meest aangevoerde beweringen willen we noemen en tevens trachten te weerleggen.

Het vraagstuk is ontstellen: ! groot, aldus sommigen, en daarom onoplosbaar. Economische hulp haalt niets uit, want ondanks alle hulpverlening wordt het welvaartsverschil tussen de rijke en de arme landen steeds groter. Dit is helaas waar. Het geldt echter alleen voor de wereld als geheel; als men de afzonderlijke ontwikkelingslanden beziet, dan zijn er, die de laatste jaren flink vooruit zijn gegaan, zoals Formosa, de Filippijnen, Pakistan en Mexico. Deze landen hebben relatief veel meer kapitaalhulp ontvangen dan hun minder fortuinlijke lotgenoten zoals India. Voor deze laatste landen zou het probleem, evenmin onoplosbaar zijn, als er maar meer hulp zou worden verleend.

In de meeste ontwikkelingslanden, aldus luidt een ander argument, ontbreekt de wil om een einde te maken aan de heersende armoede en ellende. De mensen weten niet beter en schikken zich in hun onvermijdelijk lot. Ook dit is maar ten dele waar. Er zijn immers verschillende voorbeelden van ontwikkelingslanden waar de bevolking met grote energie aan de economische vooruitgang werkt. En wat de andere landen betreft: zou er niet vaak een noodlottige samenhang bestaan (zoals we zoëven reeds hebben aangestipt) tussen armoede en fatalisme? Kan men van een ondervoede en ziekelijke bevolking verlangen dat zij werklustig en energiek is? Het argument dat de arme bevolkingen niet beter weten, verliest steeds meer aan waarde. Tot in het diepste oerwoud verspreidt de transistorradio de mare van onze welvaart. Ze weten heel goed, dat het anders kan!

Wij zouden de ontwikkelingslanden wel willen helpen, zo luidt een derde argument, maar dan moeten zij eerst orde op hun zaken stellen. Want wat zien wij? Corruptie op ontstellende schaal in het ambtelijk apparaat; regeringsvormen die vaak op het éénpartijenstelsel berusten en in democratisch opzicht veel te wensen overlaten.

Dit argument is, net als de voorgaande, weer een grove generalisatie, die lang niet op alle ontwikkelingslanden van toepassing is. Het moet worden toegegeven dat de situatie, wat dit betreft, in vele landen

Een van de in Unicef-melkccntrales Borabay

niet gunstig is. Mogen wij echter onze westerse maatstaven zomaar op ontwikkelingslanden toepassen? Toen w ij nog in het stadium van onderontwikkeldheid verkeerden, hadden wij evenmin een democratisch staatsbestuur en leden ook wij onder corruptie. Sociologen zijn het er over eens dat de mate van corruptie ten nauwste samenhangt met het niveau van de sociaal-economische ontwikkeling; corruptie is een natuurlijk bijprodukt van de honger. Dat betekent dat corruptie nooit een reden kan zijn om de hulpverlening te verminderen. Integendeel, door de armoede te bestrijden wordt tevens de corruptie tegengegaan.

Ook in ons eigen land heerst nog armoede, zegt men vaak.

Is het niet onze eerste verantwoordelijkheid om deze problemen dicht bij huis op te lossen? Er zit veel waars in deze opmerking, maar doet dit iets af aan onze verantwoordelijkheid voor bevolkingen die weliswaar verder van ons wonen, doch veel ernstiger gebrek lijden dan onze landgenoten? Ook het argument dat er niet voldoende projecten in de ontwikkelingslanden voorhanden zijn, gaat niet op. Het totale aantal bij d.e diverse hulpverlenende instellingen ter financiering ingediende projecten is veel groter dan het aantal dat met de hulpgelden is of wordt gefinancierd.

Ons standpunt t. o. v. ontwikkelingshulp

De arme volkeren der wereld zijn onze naasten, aan wie wij de christelijke barmhartigheid en naastenliefde verschuldigd

zijn. Zij kunnen bovendien door hun armoede gemakkelijk een prooi worden van het communisme, dat alles in het werk stelt om deze volkeren in zijn greep te krijgen.

Daarom zegt men wel dat economische hulp het beste, goedkoopste en veiligste middel is om het communisme tegen te gaan. De grote materiële verschillen tussen de rijke en de arme landen kunnen dus een gevaar vormen voor de wereldvrede. Op dit gevaar doelde wijlen president Kennedy, toen hij in zijn inaugurele rede in januari '61 deze woorden sprak: „Indien de maatschappij niet in staat is de velen die arm zijn te helpen, zal zij nooit in staat zijn d.e weinigen die rijk zijn te redden."

Het is onze stellige overtuiging dat materiële hulp gepaard behoort te gaan met zending. Niet alleen om de schadelijke religieuze gebruiken, verboden en taboes te doorbreken.

Bij de uitvoering van ontwikkelingsplannen blijkt dat een grote geestelijke verwarring ontstaat, wanneer mensen met een primitieve levenswijze plotseling zich moeten aanpassen aan de moderne westerse levenswijze met zijn technische hulpmiddelen. In deze geestelijke verwarring, in deze crisis, hebben deze mensen behoefte aan voorlichting, aan enige zekerheid.

Die zekerheid nu ligt in Hem, die gezegd heeft dat de mens bij brood alleen niet leven zal, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat, alsook dat Hij nog andere schapen heeft, die van deze stal niet zijn; deze moet Hij ook toebrengen; zij zullen Zijn stem horen; en het zal worden één kudde en één Herder.

In Gods Woord worden wij uitdrukkelijk vermaand milddadigheid te betonen jegens de armen. De wijze prediker zegt in het elfde hoofdstuk: „Werpt uw brood uit op het water". Onder het water hebben wij te verstaan de armen, die niet hebben om weder te vergelden, zodat het gegevene schijnt verloren te zijn. Wij zouden zeggen: je kunt het net zo goed in het water werpen. Gods Woord gaat echter verder: „gij zult het vinden na vele dagen", d.w.z.: God zal het U wedergeven, misschien wel nadat vele dagen of jaren verstreken zullen zijn.

„Geef een deel aan zeven; ja ook aan acht, want de tijd kan komen dat gij van al het uwe beroofd zult zijn; dan zult gij wensen dat anderen u van het nodige voorzien; doe gij dan ook alzo aan uwe naasten, terwijl gij nog in uwe goede dagen zijt".

Wij moeten niet geven met de bedoeling dubbel terug te ontvangen; dezulken hebben hun loon weg. Wij behoren te geven met een blijmoedig hart, bedenkende dat alles wat wij bezitten ons door God geschonken is, opdat wij het mede zouden besteden tot heil van onze naaste en tot eer van God.

„Laat ons dan goeddoende niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 oktober 1968

Daniel | 16 Pagina's

ontwikkelingshulp

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 oktober 1968

Daniel | 16 Pagina's