HET WOORD GAAT VOORT (2)
De moord op Stefanus.
Zij (en dus ook Saulus!) komen in conflict met Stefanus, een man vol van geloof en van de Heilige Geest. En Lucas schrijft zo kernachtig: „En zij konden niet wederstaan de wijsheid en de Geest, door Welken hij sprak". En wat kan een mens giftig worden als hij een debat over godsdienstige zaken niet winnen kan!
De geschiedenis die volgt is bekend. Stefanus wordt voor de Raad gesleurd en houdt daar een vlijmscherpe rede, die oh, zo hard aankomt. Vooral het einde van de rede is voor een vrome rabbijn niet om aan te horen: „Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaders alzo ook gij!"
En als hij het bestaat te zeggen: „Gij, die de Wet ontvangen hebt door bestelling der engelen, en hebt ze niet gehouden!" — dan breekt er een onbeschrijfelijk tumult los. Hun harten berstten ach, het is een reactie die we zo goed kunnen begrijpen. Zo reageert ons hart nu, als het wordt geconfronteerd met het levende en krachtige Woord van God, dat de mens onomwonden aanzegt dat hij voor God niet deugt.
Zo reageren wij, als we weigeren voor God te buigen. En waarom werden deze mannen nu zo abnormaal woedend? Lees de woorden maar eens die Lucas gebruikt. Dat was echt niet gewoon meer. Het was daar in die Raadszaal een getier en een gekrijs, dat horen en zien je verging. Zij worden maar beheerst door één gedachte: „Weg! Weg! Weg met die man!" Wie denkt hier niet aan het „Kruis Hem, Kruis Hem!" tegen de Heere Jezus, dat al even hysterisch was? Vanwaar toch die buitensporige woede?
Ach, die Joodse Schriftgeleerden voelden diep, heel diep in hun hart heus wel, dat deze Stefanus gelijk had. Als een mens even wordt aangeraakt door dat Woord Gods, dat levend en krachtig is, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, dan voelt hij heus wel, waar het schort. Maar daarmee is zijn hart nog niet gebroken! Alles wat in hem is komt tegen dat Woord in opstand. En zo was het ook in die Raadszaal in Jeruzalem.
Maar Stefanus slaat de ogen op naar de hemel en ziet Jezus, staande ter rechterhand Gods Let op dat staande. Jezus leeft, leeft ook voor hem, Stefanus! En Hij zal hem bijstaan!
Als je deze verzen leest in Handelingen 7, dan valt het op, hoe vlug alles gaat. Het kan de Joden ook niet snel genoeg gaan. Ze grijpen Stefanus, sleuren hem de stad uit (ja ja, de Wet verbiedt dat binnen de stad iemand wordt gestenigd!) en ze smijten hem neer. De getuigen, d.w.z. mannen die het kwaad gezien of gehoord hebben, en de eerste stenen zullen werpen, gooien hun klederen neer aan de voeten van een jongeling genaamd Saulus. Is hij overal bij geweest? Heeft hij alles gehoord?
We weten het niet. Ik geloof niet dat hij zich op de achtergrond gehouden heeft. En hij had mede een behagen in Stefanus' dood
Gij zult mijn getuigen zijn.
Onmiddellijk na de moord op Stefanus barst een grote vervolging los tegen de gemeente. Overal vluchten de Christenen heen, door Judea en naar Samaria. Dat is erg, zo'n vervolging. Maar we zien ook hier weer, dat God dwars door het kwaad heen kan werken. Want het was niet goed, dat het Evangelie tot Jeruzalem beperkt bleef.
Had de Heere niet Zelf gezegd: Gij zult mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde"? (Hand. 1 : 8)
En kijk, daar was nu een vervolging voor nodig om de discipelen dat woord indachtig te maken. Want overal waar de Christenen kwamen, wonnen zij harten voor Jezus, en zo breidden de gemeenten zich uit over geheel Palestina. Dat was overigens beslist niet de bedoeling die de Joden met deze vervolging hadden. En het was zeker niet de bedoeling van Saulus. Het ging allemaal niet zo goed met Saulus sinds de dood van Stefanus. De rust was uit zijn leven. Hij ging onbeschrijfelijk te keer! Hij verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis.
Een ij ver zonder verstand.
Het is vreemd, hoe ver een mens kan afdwalen, terwijl hij toch blijft geloven de wil des Heeren te doen. Want dat Saulus
meende dat hij de wil Gods deed, geloof ik vast. Hij was geen bruut! Hij was alleen een hartstochtelijk ijveraar voor
voor wat hij dacht dat de Wet Gods was. Hij was een van de tallozen, die niet begrijpen dat de hoofdsom der Wet liefde is. De liefde tot God ontbrak hem. Hij meende dat de dienst des Heeren bestond uit ij v e r e n. IJveren voor Gods Wet, voor Gods wil. In die strik waren tallozen van de Joodse leidslieden gevangen. Saulus noemde zichzelf later eens, als hij spreekt over deze tijd: en ijveraar Gods (Hand. 22 : 3). En in zijn brief aan de Romeinen zegt hij van de Joden: Ik geef hun getuigenis, dat zij een ij v e r tot God hebben, maar niet met verstand!" (Rom. 10 : 12).
Dat wil zeggen: zij spannen zich wel in hun godsdienstige plichten na te komen, maar beseffen niet dat alle ware godsdienst begint met een afzien van zichzelf en een vragen: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Dat was toch ook Saulus' eerste vraag na zijn bekering? Maar in deze tijd leefde Paulus nog vanuit de gedachte: Ik doe m'n best, en daar moet de Heere maar genoegen mee nemen. Vandaar die hardheid, die spijkerhardheid! Het is nog het kenmerk van allen, die niet een streep leerden zetten door heel hun natuurlijk bestaan, maar die menen dat godsdienst is: gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. Als het nog zo bij ons is, dan heeft ons leven dat harde, dat Geeste-loze, dat berekenende, dat ook bij Saulus van Tarsen leefde.
Oh, wat heeft hij later een smart gehad van deze tijd! „Ik ben de minste der apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb " (1 Kor. 15 : 9). Wat zal er later een schok door hem zijn heengegaan, toen hij hoorde, dat Jezus eens gezegd had: De ure komt, dat een iegelijk, die u zal doden, zal menen Gode een dienst, te doen " (Joh. 16 : 2).
Stilgezet.
Maar Saulus vond in zijn vervolgingswoede geen rust. Neen, zo is het toch altijd! Als we niet in de gunst van de Heere leven, hebben we geen rust, hoe vroom we ook doen, of hoe hard we ook te keer gaan. Augustinus wist het ook: „Ons hart is onrustig in ons, totdat het rust vindt in God". Ach, het kan niet anders, of Saulus moet in ogenblikken van slapeloosheid wel weer eens dat gelaat van Stefanus voor zich hebben gezien, dat straalde als het gelaat van een engel en waar zo'n onbeschrijfelijke rust vanuit ging. Er moet toch wel eens iets in zijn hart hebben getrild als hij zag hoe ouders van hun kinderen, en kinderen van hun ouders afscheid namen om door hem te worden gevoerd naar de gevangenis. En zal nooit eens een christen, die door hem was gearresteerd, hebben getuigd van de vrede Gods in Christus, die alle verstand te boven gaat? Maar zulke gedachten verzuurden zijn leven nog meer, en om zulke gedachten het zwijgen op te leggen ging hij de volgende dag nog harder te keer. Hij „blies dreiging en moord"
En toen hij hoorde, dat de christenen ook in Damascus volgelingen maakten, ja dat die gehate sekte zich als een pest over het gehele land verspreidde, stond zijn besluit vast: daar moet ik heen! Die brand moet ik zelf bezweren! En hij speelt het klaar, aanbevelingsbrieven van de hogepriester te krijgen, om in Damascus volmacht te hebben zijn verwoestende werk voor te zetten. Maar gedurende dit alles ziet het voorwerp van zijn woeden, Jezus van Nazareth, het geraas en gezwoeg van Saulus aan. En wat een wonder: Zijn oog is met ontferming over deze vernieler bewogen. De Heere wacht. Hij wacht tot de onvrede en de razernij in Saulus' hart tot het toppunt gestegen zijn.
En dan grijpt Hij in. Ik zal het verhaal van Saulus' bekering niet helemaal behandelen, maar geef slechts een paar kanttekeningen: Jezus zegt: „Wat vervolgt gij Mij? " Wat Zijn gemeente wordt aangedaan, wordt Hem zelf aangedaan. En in de tweede plaats: „Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan!" Het is u hard. Niet: het is Mijn gemeente hard, of het is Mij hard, maar: het is u hard. Wat een gadeloze liefde en ontferming! Wat een mededogen voor zo'n zondaar! Milde handen, vriendlijk ogen, zijn bij U van eeuwigheid!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1968
Daniel | 16 Pagina's