JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

meedoen of apart staan?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

meedoen of apart staan?

7 minuten leestijd

In gesprekken met jongeren van onze gemeenten krijg je wel eens de indruk dat deze vraag: meedoen of apart gaan staan? een grote rol speelt bij hen. Zijn de vragen al niet direkt in deze vorm herkenbaar, uiteindelijk komen vele vragen, die bij onze jongere generatie leven, hierop neer. Niet alle: er zijn diepere levensvragen, die nog direkter ons hart raken, vragen die misschien het beste kunnen worden samengevat in de formulering van Luthers grote vraag: „Hoe krijg ik een genadig God? "

Toch behoeven wij de in het begin van dit stuk gestelde vraag niet voorbij te gaan. De vraag, of wij mee kunnen of mogen doen, raakt wel stellig de houding die een christen behoort in te nemen in deze wereld en ten opzichte van deze wereld.

In het tweede hoofdstuk van Dr. W. Aalders' boekje „Theologie der verontrusting" wordt nader ingegaan op de vraag, welke de verhouding is tussen de christen en de wereld, hoe een christen in deze wereld hoort te staan. Het boekje geeft ook in de beantwoording van deze levensvraag — want dat is het toch wel? — een zodanig treffend antwoord, dat ik niet nalaten kan, nogmaals op het boekje terug te komen.

Uitgangspunten

Dr. Aalders neemt zijn eerste uitgangspunt in vraag en antwoord 32 van de Heidelbergse Catechismus: , , Ik word een christen genoemd, omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo zijner zalving deelachtig ben, opdat ik Zijn Naam belijde, en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere". De zinsnede: opdat ik Zijn Naam belijde, mag wel de kern van dit antwoord genoemd worden. Een christen behoort uit te komen voor de Naam van de Heere Jezus Christus! Het tweede uitgangspunt is een lang citaat van Groen van Prinsterer, de bekende christenstaatsman uit de vorige eeuw. Treffend in dit citaat is vooral het volgende: „Het belijden is het uitkomen voor de waarheid op het punt, waar de tijd bezwaar heeft

en waar het belijden met lijden vergezeld is. De aard van de tijd wijst het belijden aan, dat in dat tijdsgewricht de gelovigen voegt. Altijd één waarheid is er wier belijdenis, terwijl men de ganse waarheid vasthoudt, speciaal belang heeft. En ten aanzien van die waarheid is plichtsbetrachting en moedbetoon aan de orde van de dag".

Het is heel goed, deze woorden van Groen nog eens over te lezen en op ons te laten inwerken. Belijden hangt samen met lijden! Dit geldt niet alleen voor Ds. Wurmbrandt en de zijnen, maar behoort ook voor ons te gelden. Als ons belijden zo gemakkelijk kan plaatsvinden zónder lijden, mogen we ons belijden wel eens nazien! Plichtsbetrachting en moedbetoon zijn aan de orde van de dag! Ach, wie moet nu niet beschaamd zijn? Waar blijft ónze plichtsbetrachting, óns moedbetoon? Zijn we niet dikwijls bang, ook maar één woord goed te spreken van de Heere en Zijn dienst? Ja, een dronken kerel durven we wel te zeggen dat hij niet mag vloeken, maar iemand uit onze kennissenkring? Op papier zijn we dikwijls o zo moedig, maar hoe is onze levenspraktijk? Gebruiken we alleen maar grote woorden, terwijl de daden achterwege blijven, of paart zich, misschien schuchter, de daad aan het woord? Deze woorden van Groen van Prinsterer zijn ons daarom zoveel waard, omdat we weten dat de man die ze uitsprak, inderdaad op alle fronten heeft gestreden tégen de revolutie: vóór het Evangelie. Het boekje van Dr. Aalders is ons daarom ook zoveel waard, omdat hij er eigen positie in zijn kerk voor over heeft. De overvloedige reakties, waarvan vele in afkeurende of zelfs beschimpende zin, zeggen reeds genoeg!

Antithese en doorbraak

Gezien de beide uitgangspunten die Dr. Aalders kiest, kunnen we al raden welk standpunt hij inneemt tegenover de vraag: mag en kan de christen met alles meedoen, of moet hij apart gaan staan? Lange tijd was deze vraag voor een christen niet zo urgent als in onze tijd. Groen stelde de antithese (= tegenstelling) b.v. heel scherp: het revolutie-beginsel is onverenigbaar met het Evangelie. In navolging van hem, hebben de grote christelijke partijen deze antithese-gedachte min of meer tot uitgangspunt van hun politiek handelen gekozen. De Tweede Wereldoorlog bracht echter grote veranderingen. Na de oorlog wilde een grote groepering van ons volk een doorbraak bewerken, waardoor de kloof tussen de verschillende bevolkingsgroepen in religieus opzicht werd opgeheven. Weg met de verzuiling! Weg met een aparte christelijke partij, christelijke school, christelijke krant! Het opvallende was dat de (Ned. Herv.) Kerk dat streven niet tegenging, maar integendeel aanmoedigde, o.a. in het Herderlijk Schrijven uit 1955: „Christen-zijn in de Nederlandse samenleving".

Heel deze doorbraakgedachte, zo betoogt Dr. Aalders, is voortgekomen uit de theologie van Karl Barth. Barth is geweldig optimistisch in zijn eigen visie op de wereld. Wellicht hangt dit nauw samen met zijn leer van de algemene verzoening. Tenslotte is een ieder verzoend met God, door de triumf der genade van Christus, leert Barth. Waarom moet een christen zich dan scherp tegenover een niet-christen opstellen?

Verwereldlijking

Deze zelfde barthiaanse visie is ook merkbaar tegenover een verschijnsel als de verwerldlijking of secularisatie. Een ieder die enigszins zijn ogen open heeft, ziet de verwereldlijking hand over hand toenemen. Wereldgelijkvormigheid is daar nog maar een onderdeel van! Het doel van de verwereldlijking is, dat de mens steeds meer zelfstandig wordt, los raakt van de bevoogding der kerk, dat het gehele maatschappelijke leven losgeweekt wordt van allerlei door het christendom gevormde normen, kortom: dat mens en maatschappij mondig worden tegenover God en Zijn Woord. Moderne theologen, op dit punt wel grondig door Barth beïnvloed, zeggen onomwonden, dat zij deze ontwikkeling niet afkeuren, maar toejuichen. Op deze wijze immers, zo zeggen ze, zal de mens in vrijheid een keuze kunnen maken ten opzichte van God, los van allerlei belemmerende christelijke tradities uit vroeger tijd.

Dr. Aalders waarschuwt met kracht tegen zo'n optimistische kijk op de verwereldlijking. Hij citeert daarbij een uitspraak van een Franse filosoof, Merleau Ponty, welke duidelijk genoeg is: „Er is een gelukkige evolutie (= ontwikkeling, B.) op gang gekomen binnen het Christendom! Een bovenzinnelijk-religieus Christendom gaat ongemerkt over in een werelds Christendom, waarbij God en het goddelijke zich allengs meer als mens openbaren. Dit proces houdt in, dat binnen afzienbare tijd de mens de enige God is". Als deze filosoof, buiten het christendom staande, dit schrijft in goedkeurende zin, hoe verontrust moet een waar christen dan niet zijn! Met kracht moeten wij stelling ne

meedoen of apart staan ?

men tegen alle moderne theologie, die de mens verkapt of openlijk op de troon zet! Wij moeten onze ogen niet sluiten voor de feiten, maar in de feiten wel de gevaren zien. Dr. Aalders merkt op: „Het is voor ons nu eenmaal verschrikkelijk moeilijk om de tijd te kennen, waarin wij leven, omdat wij de tijd in ons dragen en zélf zijn". Maar dat betekent niet, dat we dan maar bij de pakken moeten gaan neerzitten. Een christen behoort strijd te leveren in deze wereld. Een waarachtig christen kent de wereld, de van God afvallige wereld, beter dan de van God vervreemde mens. Hij weet, dat de zonde de ongerechtigheid werkt. Een christen moet daarom getuigen, belijden, lijden. Zo moet hij zijn profetische, priesterlijke en koninklijke taak verrichten. Een christen hoeft niet te rekenen op sympathie. De dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Waar de Heere Jezus gehoond, verraden en gekruisigd werd, behoeven zijn volgelingen geen hulde op aarde te verwachten. Maar hun is tóch een beter lot bereid! In elke ware christen is toch iets van het verlangen naar de wederkomst van de Heere Jezus? „De christen, die leeft uit het kruis en de opstanding van Jezus Christus, ziet met hijgend verlangen uit naar het ogenblik, dat de wederkomende Christus, de heerschappij van dit revolutionaire afvallige Babyion zal afbreken, en het Rijk van de Zoon des mensen zal oprichten".

Ik heb slechts enkele gedachten van Dr. Aalders in dit verband kunnen weergeven. Hopenlijk echter zet het ons aan het nadenken, opdat we gaan beseffen, wat het zeggen wil, als christen in deze wereld te staan. Bedenk echter, dat dit nooit op de rechte wijze kan plaatsvinden, als vernieuwing des harten, wedergeboorte, een onbekende zaak voor ons blijft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1968

Daniel | 17 Pagina's

meedoen of apart staan?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1968

Daniel | 17 Pagina's