bijbellezen
Te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks. En wat zou wel het „Boek" zijn, waarvan hier gesproken wordt? Het is dat verheven Boek, hetwelk vóór mij ligt, de Heilige Schrift, de openbaring van Gods zin en wil tot de kinderen der mensen. In dit Boek zijn „woorden", en deze woorden zullen de bevindelijke doven horen „ten dage" als God de Heilige Geest hun oren doorboort. Maar welke woorden zullen de doven horen?
De uitdrukking „woorden" heeft een zeer uitgebreide betekenis; want in Gods Boek zijn woorden des donders en woorden, die vertroosten en gerust stellen: woorden van de berg Sinaï en woorden van de berg Sion; woorden als een tweesnijdend scherp zwaard en woorden, die nederdruipen gelijk de regen en de dauw op een dorstig land. De doven zullen horen de woorden des Boeks.
De eerste woorden, die zij horen, zijn van de berg Sinaï; de woorden, welke die zij hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden, want zij konden niet dragen hetgeen er geboden werd; woorden, die openbaren de geestelijkheid van Gods wet, de heiligheid van Gods natuur, de zondigheid der zonden en de billijke wraak der ongerechtigheid. Deze woorden des Boeks horen de doven „te dien dage" als God Zijn hand uitstrekt en hun oren doorboort. En gelijk Jozua, toen het wetboek in de tempel gevonden werd, zo ook bevinden zij die woorden „levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard" en machtig om „af te breken en te verderven", gelijk een gedeelte van de last van Jeremia.
Maar de woorden des Boeks, die de doven te dien dage horen, zijn voor het grootste gedeelte aangename en troostrijke woorden; want zij zijn over het algemeen ras genoeg om te horen hetgeen tegen hen is, maar doof voor alles wat voor hen is. Daarom hebben zij de grootste behoefte aan het horen van die woorden, welke vrede, vergeving, liefde en zaligheid tot hun hart spreken, en omdat zij deze woorden des Boeks niet tot vertroosting van hun ziel kunnen horen, daarom gevoelen zij zich doof te zijn.
(Uit een predikatie van J. C. Philpot over Jesaja 29 : 18 en 19).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1968
Daniel | 17 Pagina's