Die de Heere vroeg zoeken.
JOZEF (II)
Het aantrekkelijke in de geschiedenis van de godvruchtige Jozef is, dat hij met alles wat hij als onderkoning van Egypte door Gods grote goedheid was geworden dezelfde eenvoudige Jozef is gebleven. Het wordt zo vaak gezien dat als niets komt tot iets, het zichzelf niet meer kent. Bij Jozef is dat niet het geval. Eenvoud is kenmerk van het ware. De Heilige Schrift tekent Jozef zo echt menselijk. Denk eens aan de geschiedenis van zijn gevangenschap, toen hij met 's Heeren hulp de dromen oploste. Hij sprak tot de schenker: „Gedenk mijner bij uzelf wanneer het u wel zal gaan, en doe toch weldadigheid aan mij en doe melding bij Farao en maak dat ik uit dit huis kom. Want ik ben ontstolen uit het land der Hebreeën en ook heb ik hier niets gedaan dat zij mi; in deze kuil gezet hebben." Maar wat gebeurt er? Na de herstelling van de schenker denkt deze niet meer aan Jozef, maar vergeet hem.
Eerst twee jaar later wordt Jozef uit de gevangenis verlost. Hij had zijn vertrouwen op de overste der schenkers gesteld. Dat is zo echt menselijk. In Pred. 7 : 13 staat zo nadrukkelijk: Aanmerk het werk Gods want wie kan recht maken wat Hij krom gemaakt heeft." De Heere heeft Jozef afgeleerd zijn vertrouwen op de mens te stellen. Dat zijn rietstaven die de hand doorboren. Dat was voor Jozef de allerzwaarste beproeving. Niemand dacht aan hem. Dagen en nachten heeft hij uitgezien naar de uitkomst en de tussenkomst van de schenker. Hij voelde zich re vroeg zoeken. geheel verlaten, van de Ilecre en van de mensen. Maar, en dat was het wonder, naar gelang de maanden verstreken werd het vertrouwen van Jozef steeds meer op God gevestigd. We lezen in Ps. 105 : 19: Totdat Zijn Woord kwam heeft de rede des Heeren hem doorlouterd." Zulke mensen zijn het meest nuttig in Gods koninkrijk op aarde.
Alle verwachting werd bij Jozef weggenomen. Zijn oog was nu op de Heere gericht. Wat zal hij dikwijls gesmeekt hebben (Ps. 142 : 7):
Voer mij uit mijn gevangenis
Tot roem Uivs naams die heerlijk is. Dit alles opdat wij ons betrouwen op God zouden stellen, Die ons uit zo grote nood en dood verlost heeft en nog verlost, op welke wij hopen dat Hij ons
ook nog verlossen zal. Wat tekent zich in het leven duidelijk het leven van Gods Zoon af. Bij de eerste reis had Jozef zich onbekend gehouden. Bij de tweede reis van zijn broers, na de geschiedenis met de beker, zou hij zich bekend maken. Waarom deed hij dit? Opdat zijn broers schuldenaars zouden worden; opdat ze hun zonde kregen te zien en zich zouden verootmoedigen.
Juda zegt namens allen: „God heeft de ongerechtigheid van uw knechten gevonden. Zie wij zijn slaven van onze heer, zowel wij als degene in wiens hand de beker gevonden is." Daar wil de onderkoning niets van weten: „De man in wiens hand de beker gevonden is, die is mijn slaaf; trekt gijlieden op in vrede tot uw vader." Dan houdt
Juda een vurig pleidooi, waarin hij alles vertelt: dat hij borg geworden is voor Benjamin. Laat ik voor de jongeling slaaf blijven en laat Benjamin met zijn broers optrekken.
De broers en de onderkoning hebben alles aangehoord onder ademloze stilte en in grote spanning wachten de vrome broeders af wat die harde heer nu zal zeggen.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1968
Daniel | 32 Pagina's