Het jaar 1568
II.
Jemmingen.
Na de terechtstelling van Egmond en Hoorne begaf Alva zich naar Groningen. Daar had Lodewijk het beleg voor de stad reeds opgebroken en zich bij Jemmingen, op de Westelijke oever van de Eems, verschanst. Daar de soldaten slecht betaald werden wegens geldgebrek van de Prins, weigerden ze te vechten zodat de „slag" bij Jemmingen in korte tijd was afgelopen. Het gehele leger werd uiteengeslagen; Lodewijk kon zich slechts door een overhaaste vlucht, zwemmend over de Eems, het leven redden. Teleurgesteld trok hij naar Dillenburg; een deel van zijn helpers voegde zich bij de Watergeuzen.
Tocht van de Prins.
Intussen had Oranje een vierde inval voorbereid, groter dan de reeds genoemde. Met een leger van 26.000 man trok hij Limburg binnen, waar Alva bij Maastricht een iets kleiner leger samengetrokken had. Op 7 oktober trok het leger van de Prins over de Maas, een prestatie, die altijd in de herinnering zal blijven voortleven. Toen Alva het bericht vernam, riep hij uit: „Is dan het leger van de prins een vlucht wilde ganzen? " De overtocht was mogelijk gemaakt door in de rivier een afdeling ruiterij te plaatsen, die de stroom enigszins brak. Hierdoor kreeg het voetvolk gelegenheid om door het water, dat et jaar 1568 plaatselijk tot de hals reikte, te trekken. In het Wilhelmus klinkt de fierheid van het begin van deze tocht:
Als een Prins opgheseten (te paard gezeten) Met mijner Heyres cracht, Vanden Tyran vermeten (van de vermetele tiran,
Alva) Heb ick den slach verwacht: (afgewacht) Die bij Maestricht begraven, (verschanst) Bevreesde mijn ghewelt Mijn Ruyters sach men draven Seer moedich door dat velt.
De tocht werd een grote teleurstelling, vooral omdat de bevolking, tegen de verwachting van de Prins in, niet in opstand kwam. De meeste steden weigerden zelfs de poorten voor zijn leger te openen, hoewel het aantal hervormingsgezinden in diverse steden vrij groot was. Vanwaar deze houding? Men vreesde Alva's wraak. Het leger van de Prins was weliswaar groter dan dat van Alva, maar Alva had naam als militair; bovendien heerste er in het Spaanse leger tucht, die in het leger van de Prins niet te vinden was.
Daar Alva wist dat de Prins over weinig geld beschikte, en dus zijn troepen slechts een korte tijd op de been zou kunnen houden, besloot hij een beslissende slag te ontwijken. Deze tactiek slaagde volkomen: na een rampspoedige tocht door Luikerland en Brabant sloeg het leger van de Prins aan het muiten. Daar de terugtocht over de Maas hem werd afgesneden, trok de Prins met de Hugenoten, die hem ter hulp waren gekomen, naar Frankrijk. De Franse koning wilde hem echter niet binnen zijn grenzen hebben; verontwaardigd gelastte hij hem zich met zijn leger terug te trekken. De troepen drongen aan op betaling en afdanking, waarop de Prins tenslotte het leger in Straatsburg ontbond. Eerst verkocht hij zijn geschut en allerlei kostbaarheden, zelfs zijn tafelzilver en zijn veldmeubelen, om zijn troepen te kunnen afbetalen. Dit gelukte slechts ten dele zodat hij, bedreigd door de muitende onbetaalde soldaten en achtervolgd door zijn schuldeisers, op een donkere nacht bijna geheel alleen in een schuit de Rijn overstak en over Heidelberg in Nassau terugkeerde. Alva kon met trots zijn koning melden dat ook dit gevaar was afgewend. Ten teken van zijn triomf liet hij in Brussel zijn standbeeld plaatsen, gemaakt van de in Jemmingen buitgemaakte kanonnen.
Toch geen capitulatie.
De duistere maanden die op deze nederlaag volgden waren moeilijk en zwaar voor de Prins. Alva beschouwde hem als een „dood man" en even pessimistisch oordeelde Oranjes vriend, de Hugenoot Languet: „het is uit met hem". In deze tijd is ontstaan ons volkslied Wilhelmus, op de wijs van een Frans soldatenlied „Chartres". Dit is
een spotlied op de Hugenoten, die de stad Chartres tevergeefs belegerden. Het Wilhelmus, onze nationale psalm, is een troostlied waarin de Prins spreekt tot zijn volk; hij spreekt woorden van afscheid, maar ook woorden van vertrouwen, van hoop op een betere toekomst. Het twaalfde couplet geeft in schone bewoordingen de berusting weer waarmee Oranje tenslotte de loop der gebeurtenissen van 1568 aanvaard heeft:
Soo het den wil des Heeren Op dit tijt had gheweest, Had ick geern willen keeren
Van U dit swaer tempeest (ramp).
Maer de Heer van hier boven
Die alle dinck regeert, Die men altijd moet loven, En heeftet niet begheert.
Zoals gezegd, de gebeurtenissen van 1568 hebben de Prins wel ontmoedigd, maar toen hij over de depressie van de ramp heen was schreef hij aan zijn broer Jan: „Ik zie wel dat ik het leven in arbeid en ellende doorbrengen moet, doch ik ben tevreden, daar het de Almachtige behaagt, Hij geve mij de genade om alles met lijdzaamheid te dragen, gelijk ik tot dusver heb gedaan; met Gods hulp zal ik doorgaan". De moed om de strijd voort te zetten, hoewel de zaak hopeloos scheen, werd geïnspireerd door zijn geloof, dat hem over de diepste teleurstellingen heengedragen heeft. Het is langzaam bij hem gegroeid; in zijn brieven is dit te volgen. Vooral zijn brieven uit de latere jaren vertolken een diep en innig geloof. En het is dit geloof, waardoor de geloofshelden van het Oude Testament koninkrijken hebben overwonnen, de kracht des vuurs hebben uitgeblust en heerlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht, maar waardoor ook ons voorgeslacht de strijd tegen het oppermachtige Spanje heeft getrotseerd. Want al is het ongetwijfeld waar dat in deze strijd twee verschillende groepen een gemeenschappelijke strijd voerden, waarbij het de ene groep ging om de bevrijding van de Spaanse tirannie terwijl het de andere groep te doen was om de vrijheid om God naar Zijn Woord te dienen, wij aarzelen toch niet te zeggen dat de geloofsfactor beslissend is geweest. De Roomse vrijheidspartij was telkens aarzelend en niet bereid het uiterste te wagen. Maar voor de gereformeerden ging het om het hoogste, de ere Gods, waarvoor ze bereid waren alles op het spel te zetten. Op deze radicale minderheid dreef de opstand. In hun vertrouwen op de uiteindelijke overwinning op de machten die het op de ondergang van de Kerk des Heeren gemunt hadden, heeft God hen niet beschaamd. Na een strijd van 80 jaren, waarin de beproevingen en louteringen ons volk niet bespaard zijn gebleven, heeft Hij ons bevrijd uit de hand onzer vijanden, opdat wij Hem zouden dienen zonder vreze.
Einde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1968
Daniel | 32 Pagina's