De Prediking
De prediking De vorige keer hebben we het gehad over de plaats en de opdracht van een predikant: Dienaar van het Goddelijke Woord èn Herder van de Gemeente. In die prediking, die echte bediening is van het Woord van God, spreekt God Zélf tot ons. De predikant is de tolk. Zijn boodschap is de vertolking van Gods Boodschap, want God heeft ons een Boodschap te verkondigen. Wat is daarvan de inhoud? Kort gezegd: dat de Heere Jezus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. Calvijn zegt hierover in zijn „Hoofdsom der leer van de bediening des Woords en der Sacramenten" het volgende: „De bedoeling van heel de evangelische dienst is, dat aan ons, die van God, de bron aller gelukzaligheid, door de zonde gescheiden zijn en daarom verloren, Christus worde meegedeeld; zodat wij het eeuwige leven uit Hem putten en eindelijk alle hemelse schatten aldus ons worden toegepast, dat zij niet minder van ons dan van Christus zijn, die ons roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid". Hierop willen we nog wat nader ingaan.
Wie is God?
God is de hoogste Majesteit. Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid; Hij is er altijd geweest en zal ook altijd blijven. Zijn bestaan kent geen begin en geen einde. Hij is de hoogste Macht, aan Wie alles en allen onderworpen zijn. Onbe-
grijpelijk voor ons verstand. Hij heeft alles, het zichtbare en het onzichtbare, dat wat voorstelbaar en onvoorstelbaar is, hemel en aarde, ja alles geschapen. Hij sprak en op Zijn Machtwoord is alles in aanzijn geroepen; wat er nooit geweest was, was er opeens. Ook de mens. Die schepping (iets uit niets) kunnen we nooit begrijpen. In het verleden en ook nu nog hebben mensen op alle mogelijke manieren geprobeerd liet ontstaan van alles, van het leven te verklaren. Allerlei theorieën zijn ontworpen, die elkaar vaak weer bestrijden en tegenspreken. Maar de Bijbel zegt heel eenvoudig hoe God dit gedaan heeft. Wij willen dat begrijpen, we kunnen het niet. God is met het verstand niet te vatten: niet in Zijn bestaan (van eeuwigheid tot eeuwigheid), niet in Zijn Wezen (Drieëenheid), niet in Zijn werk (schepping en genade). God is eeuwig, almachtig, barmhartig, goed en rechtvaardig. Niet te verklaren en niet te begrijpen. Niet te vatten met ons verstand. Alleen maar te geloven met ons hart. Die God is de God van de Bijbel. Die God heeft ook ons die Bijbel, Zijn Woord, gegeven, opdat wij daaruit kunnen lezen en horen Wie Hij is en wat Hij gedaan heeft. Datkomt in de prediking naar voren.
Wie zijn wij?
God heeft alles geschapen. Ook ons! God heeft alles goed geschapen. Ook ons! Naar Zijn Beeld .en gelijkenis. Hij heeft ons geschapen om Hem te dienen, te eren, te loven en te prijzen. En wat hebben wij gedaan? Wij hebben ons van God afgekeerd. Wij zijn zondaren geworden, d.w.z. doelmissers; we missen ons doel. We zijn niet meer op God gericht, maar op onszelf. Onze liefde is niet meer de liefde tot God, maar eigenliefde. Dat zien we al in het paradijs. Daar heeft de mens de vloek, de toorn van God en de eeuwige dood verdiend en dat voor het hele nageslacht. Maar het gaat er niet alleen om wat wij als eenheid hebben gedaan, als menselijk geslacht, als mensheid. Maar ook wat wij individueel, ieder persoonlijk doen. Voor dat van God afgekeerd zijn hoeven we niet ver van huis te gaan. We kunnen het dagelijks in ons eigen leven zien. We doen niet alleen maar bepaalde zonden, we zijn zonde. Dat moet de Gemeente worden duidelijk gemaakt, daarin moeten we alshetware worden ontmaskerd, dat mag en moet zó gebracht, dat we niet rustig meer in onze bank kunnen blijven zitten. Dat kan dus nooit alleen maar op een droge, onpersoonlijke, dogmatische wijze gezegd worden, op de manier van „de mens" dit of „de mens" clat, maar „wij" en „gij". Wie we zijn geworden, wie we blijken te zijn in ons dagelijks leven, dat geldt niet voor een bepaald gedeelte, een heel klein gedeelte mischien van de Gemeente. Nee, dat geldt de héle Gemeente. Allen worden in de rechte prediking gedagvaard! Iedereen moet daarin zijn naam horen noemen. En dat op een onontkoombare, indringende wijze, concreet en dus ontdekkend. Als Ds. Velema in zijn meer genoemde artikelen in De Wekker bezwaren uit tegen een prediking, die grotendeels of alleen maar beschrijft, clan heeft hij daarin gelijk dat deze methode van preken te vrijblijvend is en te weinig de hele Gemeente aanspreekt in de dodelijke ernst van ons zondig leven. „Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft".
Wat heeft God gedaan?
God heeft ons goed en naar Zijn Beeld geschapen. Wij hebben ons van God afgekeerd, we willen zelf God zijn, we hebben een onoverbrugbare kloof geslagen tussen God en ons. Wc hebben de toorn van God over ons gehaald, want God is rechtvaardig en kan geen zonde, geen onrecht dulden. We hebben gezegd dat God onbegrijpelijk is. Dat is Hij ook in Zijn barmhartigheid. God kan onze zonden niet ongestraft laten.
Wij moéten die betalen. Maar in Zijn barmhartigheid heeft Hij, hoewel wij daarom zelfs niet gevraagd hebben, toch geen mogelijkheid geschapen om weer met Hem verzoend te worden. Dat was alleen mogelijk, wanneer God Zelf voor die zonden betaalde. En daarom is God mens geworden, heeft Hij als mens die ontzaglijke toorn van God gedragen. Daarom is de Heere Jezus, Gods Zoon, op aarde gekomen. Daarom is die almachtige, verheven en onbegrijpelijk hoge God tot ons afgedaald, aan ons gelijk geworden, mens geworden, alleen zonder zonde. En daarom heeft de Heere Jezus hier geleden, is gehoond, gemarteld en gekruisigd. Daarom heeft Hij de toorn van God gedragen, is Hij van God verlaten geweest. Hij heeft die vloek, die wij over onszelf gehaald hadden, op Zich genomen en gedragen, tot het einde toe. Met luide stem en met inspanning van al Zijn krachten heeft de Heere Jezus geroepen „Het is volbracht!" Die rechtvaardige God heeft de zonde gestraft in Zijn Zoon. Die barmhartige God heeft de verzoening geschonken door Zijn Zoon. Wij willen in onze zonde niet terug naar God. Maar God heeft Zich in Zijn onbegrijpelijke barmhartigheid over ons, verloren mensen, ontfermd, heeft de verzoening mogelijk gemaakt.
Dit zegt de Heere nu in Zijn Woord. Dit roept Hij ons toe. Dit is Zijn Boodschap. Deze Boodschap laat Hij alle eeuwen door verkondigen. Daartoe roept Hij mensen als Zijn Dienaren. Hij geeft hen de opdracht deze mogelijkheid tot verzoening, deze weg der zaligheid, deze genade en verlossing te prediken aan verloren mensen. „Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar liet eeuwige leven hebbe".
Dat is de inhoud van de prediking: Wie is God! Wie zijn wij! Wat heeft God gedaan! Het is het lieden der genade! Nu kunt U nog zalig worden! Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven! Deze Boodschap heeft een predikant te vertolken: appellerend, ontroerend, hartverwarmend, beschamend, onweerstaanbaar. Deze Boodschap komt tot dc héle Gemeente. „Laat U met God verzoenen, icant Dien, die geen zonde gekend heeft, heeft IIij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".
En deze Boodschap, even onbevattelijk als God Zelf, wonder van Gods genade en van Zijn ontferming, loopt, dachten wij, als een rode draad door, is het centrale, het wezenlijke thema van elke rechte bediening van Gods Woord.
Verklaren.
Het wezen van de preek is het Woord van God laten spreken in al zijn facetten, verklaren en toepassen.
Allereerst iets over de verklaring van de tekst voor de preek. Hiervoor is nodig te zoeken naar de zin van het gekozen schriftgedeelte. De zin van het Woord vereist een nauwkeurige exegese, uitleg. Wat een bepaalde tekst betekent wordt door het verband waarin hij voorkomt, de context, bepaald. De predikant plaatst dat gedeelte in dc geschiedenis, waarin het thuishoort en zoekt naar het gemeenschappelijke met verwante plaatsen en woorden. De juiste exegese behoort tot de persoonlijke verantwoordelijkheid van de predikant. Natuurlijk zal hij raadplegen wat anderen ervan gezegd hebben. Maar wat hij ervan zegt is zijn persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover God, die hem tot dit werk geroepen heeft. Hij is Gods mond tot de Gemeente.
Een jongen schrijft: „In de eerste plaats zou ik toch willen opmerken, dat het heel moeilijk is om tc zeggen hoe er nu gepreekt moet worden. Wc moeten er echt wel rekening mee houden dat wij om zo te zeggen aan de andere kant staan! Immers, een predikant zelf
(in liet algemeen bedoeld) weet toch niet vantevoren hoe hij preken zal. ITij overdenkt wel eerst datgene, waarover hij het zal hebben, maar als hij op de kansel staat moet hij zich toch afvragen wie tot deze dingen bekwaam is".
Inderdaad kan een predikant nooit vantevoren weten hoe hij preken zal. Hij is in alles afhankelijk van de hulp, leiding en verlichting van de Heilige Geest, natuurlijk niet pas als hij op de kansel staat. Dat is hij ook in zijn studeerkamer bij de voorbereiding van zijn preek. Maar hij weet wel wat hij zal preken. Voor een verantwoorde verklaring van Gods Woord is diepgaande studie onontbeerlijk. Kennis van de grondtekst is eigenlijk onmisbaar. De predikant moet toch vertolken wat het Woord Zelf zegt. Hij mag dit niet naar eigen gedachten veranderen. Het gaat niet om zijn gedachten, maar om de zin van het Woord. En dan kan een tekst of bepaalde geschiedenis zo'n rijke en diepe inhoud hebben. Misschien hebben jullie dat ook wel eens ondervonden: je kunt voor jezelf bij het persoonlijk bijbellezen enkele belangrijke punten gehaald hebben uit een bepaalde geschiedenis. Maar hoor je daarover nu preken, dan merk je dat er veel en veel meer in zit dan dat je zelf bij het lezen is opgevallen. Zo kan ook de prediking het persoonlijk bijbellezen verdiepen en meer inhoud geven.
Een predikant die zich bewTust is van het grote gewicht van zijn opdracht, zal daarom veel studie maken van zijn preek. Dit studerend onderzoeken dient hij in zijn opleiding te hebben geleerd. En hieruit blijkt de noodzaak van de opleiding. Maar daarmee zou dit artikel te lang worden. We hopen daarom hierop en nog op enkele andere vragen en, niet te vergeten, op de toepassing de volgende keer in te gaan, wat dan tevens het laatste artikel over dit onderwerp wordt.
L. Sparreboomstraat 24 Rotterdam-26.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1968
Daniel | 16 Pagina's