De prediking
Bezorgdheid.
In deze artikelen hebben we als eerste onderwerp „de prediking" gekozen met de bedoeling om hierover samen te praten. Jullie weten misschien nog wel dat een oudere Daniël-lezer uit Dordrecht dit als eerste heeft aangesneden. Hij was hierop gekomen door het lezen van „Varia". Daarin werden enkele ge-77 O dachten weergegeven van de chr. ger. ds. Velema over de prediking. Deze predikant heeft in „De Wekker" geschreven dat er in zijn Kerk veel over de prediking wordt geklaagd. Voor de een is de preek te diep en voor de ander te oppervlakkig. Die de preken te oppervlakkig vinden klagen erover dat er
niet genoeg „onderscheidenlijk" gepreekt wordt. Eerlijk gezegd vinden icij dat nogal een ernstige zaak. De prediking is voor het welzijn van de Gemeente van zeer grote betekenis, het gaat daarin toch om het leiden van zielen voor een allesbeslissende eeuwigheid. Als er nu over de prediking in een Kerk véél geklaagd wordt, is dat toch wel een ernstige re-
den tot ongerustheid en maant dat tot bezinning. Ds. Velema probeert op deze klacht in te gaan. Maar volgens ons geeft hij een antwoord dat de klagers niet zal bevredigen of geruststellen. Hij zegt dat in de Gereformeerde Gezindte een beschrijvende prediking altijd zeer geliefd is geweest. En nu deze beschrijvende prediking niet veel meer gebracht wordt, klaagt men dat de prediking van vandaag te oppervlakkig is en er niet meer onderscheidend gepreekt wordt. dat alleen een beschrijvende preek de eigenschap bezit onderscheidend te zijn. Hij vindt de klacht dan ook niet terecht en noemt dan enkele kenmerken, waaraan naar zijn mening een bijbelsverantwoorde prediking moet voldoen. Al deze gedachten heeft de Varia-schrijver in het Daniël-nummer van 9-2-TiS overgenomen met de raad om hierover, b.v. op de catechisatie of de jeugdvereniging, samen te praten. Het is goed om dit Varia-artikel nog eens even voor jezelf te lezen.
Waarom heeft nu onze oudere Daniëllezer dit onderwerp in deze rubriek aan de orde gesteld? Hij zegt: „het lijkt me zo gevaarlijk zomaar verschillende stukken in Daniël over te nemen, zoals over de prediking, zonder dat hierop voldoende commentaar wordt gegeven. Bij de verdere overdenking en bespreking op de verenigingen is leiding zo nodig". Plaatsen we hiernaast even de opmerking van die 16-jarige scholier, die zegt „de preek spreekt mij niet aan" en even verder „vindt U niet dat men teveel bevindelijk preekt, over al-
les wat er gebeurt bij Gods volk? " Enerzijds signaleert ds. Velema in zijn omgeving de klacht dat er niet onderscheidend, misschien in feite niet bevindelijk genoeg gepreekt wordt, welke klacht hij niet op z'n plaats vindt. Anderzijds vraagt deze jongen of er in onze Gemeenten niet te bevindelijk gepreekt wordt. En zo zijn er misschien wel meer onder onze jeugd. Begrijpen jullie nu de bezorgdheid van die oudere lezer? Als er jongeren zijn die vinden dat er te bevindelijk gepreekt wordt, dan komt het hen juist heel goed van pas wat ds. Velema schrijft. Want eigen aan de jeugd is dat ze dikwijls niet wil slikken wat hen van huis uit meegegeven wordt, terwijl datgene, wat „van buiten" komt en wel in hun straatje te pas komt, kritiekloos wordt overgenomen. Daarom is het zo nodig dat we onder ons nog eens praten over het bevindelijke element in de preek, want het is toch nog maar de vraag of de schrijver in „De Wekker" gelijk heeft!
Is er reden?
Ds. Velema noemt als typerende kenmerken van de schriftuurlijke prediking:
„a: Het Woord Gods moet niet als mensenwoord, maar als Gods Woord worden gebracht. Wie op de preekstoel staat mag geen praatje houden, maar dient het Woord van God te dienen door het te bedienen, door Gods stem te laten doorklinken: kritisch en zegenend, ontdekkend en vertroostend,
b: Het Woord kan nooit vrijblijvend worden gebracht. Als dat gebeurt dan is er grond voor de klacht: de onderscheiding wordt totaal gemist,
c: De prediking moet persoonlijk zijn. Zuivere prediking is zielszorg. De kerkmens moet zich persoonlijk weten aangesproken in zijn situatie. Hij moet persoonlijk worden uitgenodigd en werkzaam worden gemaakt door het Woord dat gebracht wordt."
Wat moeten we hier nu van denken? Als je het zo leest zit daar heel wat in, neem b.v. de woorden kritisch en zegenend, ontdekkend en vertroostend. En ook dat ieder zich persoonlijk moet weten aangesproken in zijn situatie. Toch vragen we ons af of het zó bedoeld is dat ook het werk van de Heilige Geestin het hart, in het kennen van God en Christus en daardoor ook in het kennen van zichzelf hierin opgesloten ligt. Want dat kan en mag niet gemist worden. Er is toch ook een toepassing van het heil? Misschien zeggen we het niet helemaal of helemaal niet theologisch verantwoord, maar zonder deze persoonlijke kant kan het naar onze mening toch niet. En hierin ligt ook het onderscheidende karakter van de prediking. We vragen ons eerlijk af of ds. Velema hieraan gedacht heeft bij het noemen van de belangrijkste kenmerken van een schriftuurlijke prediking. En mocht dat wèl het geval zijn, dan mogen we toch in alle bescheidenheid concluderen dat de praktijk daarvan ons wel iets anders laat zien. Want vanwaar anders de klacht dat er te weinig onderscheidend gepreekt wordt? Dat komt hierop neer dat in de prediking niet duidelijk wordt wat waar geloof is en hoe de mens, ontdekt aan zijn verlorenheid en zonde, geleid wordt tot de kennis van Jezus Christus. De Gemeente kan zich dan individueel te weinig toetsen hoe het er persoonlijk met iéder voorstaat (en dat is toch wel wat meer dan het zich persoonlijk aangesproken voelen in hun situatie, zoals ds. Velema dat onder punt c noemt). Het gevolg is dat men bang moet zijn dat veel leden zich bekeerd en gelovig achten zonder dat ze in hun leven duidelijke kenmerken van waar christelijk geloof laten zien. Eigenlijk is het te zwak als we dit een ernstige zaak noemen, het is veel meer: het is een zaak van leven en dood!
De „onderwerpelijke" (d.w.z. waar ook over het geloofsleven van de mens
wordt gesproken) kant van de prediking wordt naar onze indruk in de Chr. Ger. Kerk in heel wat Gemeenten gemist. Daardoor neemt het aantal avondmaalgangers opzienbarend toe. En dat verontrust velen in die Kerk en ons inziens terecht.
Een enkele typering.
Ter verduidelijking willen we even enkele mensen, die zich onder de prediking kunnen bevinden, typeren. — Een oude man, een kind van God. Hij weet hoe de Ileere hem genadig is geweest. Maar hij weet ook dat de dood dichtbij is en dat geeft hem dikwijls veel strijd: kan ik God wel ontmoeten? — Een meisje. Ze heeft al zo vaak gevraagd of de Heere haar wilde bekeren. En nog steeds is er niets veranderd. De Heere zegt toch Zelf dat ITij het zal geven op het gebed? Ze heeft dit al langer gedaan clan ze dacht dat nodig was. Moet je het dan toch maar gewoon aannemen? Zou je daarmee geholpen zijn? — Een jongen, nogal stil. Er gaat veel in hem om, maar hij durft er niet over te praten. Hij gaat graag naar de kerk, al durft hij dat niet te zeggen. Hij heeft geen vrede meer met het leven. Hij voelt zich diep ongelukkig. Ja, zo ongelukkig, eenzaam en zondig, dat hij denkt dat zelfs God niet meer naar hem wil omzien. Hij weet het niet meer. Heere, help me! — Een vrouw. Als ze aan vroeger denkt, dan waren er perioden, waarin ze kon geloven dat de Heere haar vertrouwen en rust geschonken had. Maar nu, alles is weg en leeg. Het lijkt alsof God niet meer van haar weet. Ik hoor nergens meer. Bij cle wereld voel ik me niet thuis, maar dat andere? ? ?
Allemaal mensen met vragen. Ja, ook Gods kinderen kunnen met vragen zitten en het niet meer weten. Als jc een avondmaalsdienst meemaakt heb je misschien wel eens gedacht dat al deze mensen zich „bekeerd" voelen, het voor altijd weten en geen strijd meer kennen. Maar wanneer je met zo iemand praat, dan kom je tot de ontdekking dat bij cleze mens de strijd pas werkelijk begonnen is. Deze mensen weten het vaak niet meer en snakken naar een antwoord, naar troost, naar een wegwijzer, naar voedsel. Dat zoeken ze ook in de prediking. En zou een predikant hen dat mogen onthouden? De Heere heeft deze mensen juist aan zijn zorg en leiding toevertrouwd. En daarom moet hij in de prediking ook altijd aan hen denken en aandacht aan hen besteden. Dat is het wat we met het woord „onderwerpelijk" hebben bedoeld.
Jullie begrijpen zeker wel dat we hierover nog niet uitgepraat zijn. Maar denk er eens over. Hopelijk gaan we dan cle volgende keer weer verder.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1968
Daniel | 16 Pagina's