WOORD EN ANTWOORD
ROND EN UIT DE BIIBEL
WOORD EN Het is beslist niet gemakkelijk om het karakter van het boek Jona kort samen te vatten. Er zijn verschillende typeringen. We gaan ze eens even na:
Jona en Israël.
Je zou „Jona" kunnen typeren als anti-particularistisch. Schrik nu niet van dat moeilijke woord. Dat valt wel mee. Het betekent ongeveer dit: Terwijl het volk Israël zo'n beetje het idee had dat het heil alleen en particulier voor hen bestemd was, gaat dit boek daar juist tegenin. Wanneer je de artikelen gevolgd hebt herinner je je nog wel dat in Amos die zelfgenoegzame houding ook terug te vinden was. Israël was n.1. langzamerhand een rijk, bezittend volk geworden en voelde zich hoog verheven boven de heidenen. Het vergat echter dat haar „uitverkorenzijn" puur genade was en helemaal geen verdienste! AI eerder zagen we dat dat zelfvoldane zonde was en dat de Heere er zijn profeten telkens weer op laat wijzen dat Hij niet alleen Isracls God is, maar ook de God en Schepper van alle andere volken.
Deze nationale trots moet Jona aan de kaak stellen. Hij krijgt als Israëliet (!) de opdracht om naar het heidense en afgodische Ninevé te gaan.... Gods heil strekt zich verder uit dan tot de Joden!
Jona en de heidenen.
Het boek is een zendingsboek. Dat heeft te maken met wat ik hierboven schreef. Israël mag niet trots worden op zijn bezit. Het moet bekennen dat het in zichzelf geen haar beter is dan de heidenen. Ja, meer nog: hoe hadden zij, die nog wel in een verbond met de Heere stonden en die Zijn Wet hadden ANTWOORD ontvangen, zich niet verzet tegen Gods wil! Dat zou hen juist ootmoedig moeten maken en doen erkennen dat Gods verkiezende genade — en niet hun zgn. voortreffelijkheid — oorzaak was van Gods verbond. Inderdaad, het volk werd als Gods oogappel beschermd tegen vijandelijke aanvallen van de heidense volken, maar dat betekende niet dat nu deze heidenen niet bekeerd konden worden.
De profeet Jona moet Gods boodschap gaan doorgeven aan zulke heidenen. In „zijn boek" wordt a.h.w. gezegd — en dat vind je weinig in het O.T. — dat bewogenheid de juiste houding is t.o.v. de heidenen. Wanneer de Heere berouw heeft over het kwaad dat Hij Ninevé liet aanzeggen, zouden wij daaruit dan niet leren dat we bewogen moeten zijn over heidenen? Vandaar ook dat Jona een standje krijgt over zijn gemis aan bewogenheid.
We vinden hierin een O.T.-isch voorbeeld van de zendingsgedachte, die zich in het N.T. duidelijker zal ontplooien. Wanneer Christus heeft geroepen: „Het is volbracht!" scheurt de Vader het voorhangsel in de tempel. Zo heeft Christus Jood en heiden één gemaakt en „de middelmuur des afscheidsels" (— de tussenmuur, die scheiding maakte tussen Jood en heiden) gebroken (Ef. 2). Nu is het heil niet meer speciaal voor de Joden, maar voor de hele wereld, voor alle creaturen (schepselen), en Paulus wordt zelfs in het bijzonder tot de heidenen gezonden.
Jona en Christus. Het boek is een typologie van Christus. Dat betekent: Jona, die 3 dagen en 3 nachten in de vis was, is (daardoor) een type, een beeld, een voorafschaduwing van Christus, die 3 dagen en 3 nachten
in het hart der aarde was. Dat dit geen vergeestelijkende „inlegkunde" is kun je lezen in Matth. 12 : 40. In de korte inleiding op Jona zeggen de kanttekenaren het zo mooi: Jona wordt door God, in Zijn onbegrijpelijke leiding, tot een voorbeeld gemaakt van onze Zaligmaker Jezus Christus, omdat Jona, toen de storm was gestild nadat hij in de zee geworpen was, drie dagen en drie nachten in de buik van de walvis is geweest en intussen evenwel naar lichaam en ziel behouden bleef en daarna weer op het land is uitgespuwd. Zo is onze Ileere Christus, toen Hij Gods toorn gestild had, drie dagen en drie nachten geweest in het hart der aarde en daarna uit het graf verrezen."
Je snapt wrel dat Jona — en dit is zo met alle typologie in het O.T. — niet in alles een type is van de Ileere Jezus. Zo kun je moeilijk in zijn ongehoorzaamheid een voorafschaduwing zien van Christus, die juist gehoorzaam is geworden, zelfs tot de dood des kruises. De vergelijking gaat dus alleen maar op ten aanzien van een paar overeenkomende trekken. David is b.v. ook een type van Christus wat betreft zijn koningschap, zijn lijden en verhoging, en in zijn Messiaanse psalmen (b.v. 3, 16, 22, 24, 72, 110), maar natuurlijk niet in zijn zonde met Bathseba e.d. Het waren ook mensen en niets meer, mensen in het vlees, en.... „alle vlees heeft zijn weg bedorven op de aarde" en „al het gedichtsel van de gedachten zijns harten is te allen dage alleenlijk boos" (Gen. 6 : 12 en 5). Het waren dus mensen die van genade moesten leven: onder verdienste, aangewezen op verzoening door de Iieere hun God.
Dit komt ons bekend voor, want we zeggen vaak: de Bijbelheiligen waren niet zo braaf, want hun zonden staan openlijk vermeld. En dan denken we: die zonden staan beschreven om ons tot een waarschuwend voorbeeld te zijn. Dat is beslist waar. Alleen: er zit meer achter. En gelukkig maar. Want wat hadden wc eraan als we duizend waarschuwende voorbeelden hadden van hoe-het-niet-moet, zonder dat er een uitweg, een weg ter ontkoming was? En dat laatste wil de H. Schrift ons nu vooral aanwijzen. Wanneer de Ileere ons uitvoerig inlicht over de zonde van de mens, en dan juist van die mensen die volgens ons nog de „beste" zijn, doet Hij dat voor alles met dit doel: om ons te leren afzien van eigen geschiktheid en deugdzaamheid en ons met verwondering uitsluitend te leren roemen in de Ene Rechtvaardige en de Ene Heilige, de mens Jezus Christus, de Middelaar Gods en der mensen. Als je de Bijbel leest moet je eigenlijk voortdurend niets anders voor ogen houden dan: de schuld is aan de mensen, zij en ik deugen niet, maar de Heere is in zijn Zoon volledig en uitsluitend de Enige die waard is om geloofd, geprezen en aanbeden te worden. Hier is het woord van Jeremia op zijn plaats: „Vervloekt is de man die op een mens vertrouwt en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van de Heere afwijkt. Gezegend is de man die op de Ileere vertrouwt en wiens vertrouwen in de Heere is" (Jer. 17).
Jona en Gods genade.
IIet boek Jona verheerlijkt tenslotte Gods genade. Er is een preek over Jona 1, waar boven staat: „Wij willen nooit wat en zoals God wil." Die preek begint dan met: „Uit genade zijt gij zalig geworden; niet uit de werken, opdat niemand roome."
Eerlijk gezegd lijkt me deze laatste typering — nauw verbonden met de vorige — de diepste, de ontdekkendste, de meest troostvolle.
Het is zo diep omdat het niet stil blijft staan bij Jona, de schepelingen, de vis, dc Ninevieten, de wonderboom, maar doordenkt op dat wat God doet en wie Hij is. Deze „diepgang" brengt twee schatten aan het licht: ontdekking en vertroosting.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 1968
Daniel | 16 Pagina's