Een rubriek voor en van onze jeugd
Zo jongelui, we gaan vandaag eens beginnen aan de tweede opgave van de nieuwe serie. Een paar weken geleden zijn we immers begonnen aan een kruiswoordraadsel, dat was de eerste opgave. Deze tweede opgave is dus weer anders. Het is een soort geheimschrift. Ieder cijfer stelt dus een letter voor. Bekijk het maar eens en lost ook deze puzzel op. Leg je oplossing bij de andere en bewaar ze goed.
Ja, jongens en meisjes, dat ziet er wel ingewikkeld uit. Tussen de woorden heb ik streepjes gezet en de hoofdletters zijn vet gedrukt. En nu de sleutel. Ja, dat moeten jullie maar ontdekken. Alleen zal ik één woord noemen. In dit verhaaltje staat het woord: modderspatten. Zoek het zelf maar verder uit. Oplossingen goed bewaren.
En dan volgt hier weer eens een opstel van één van jullie. Van wie? Van een nieuwe vriendin. Het is de eerste keer dat Truus Bontenbal uit Rotterdam iets inzond. Het gaat over
DE PROFEET JONA
In de tijd dat Jerobeam II over Israël regeerde leefde de profeet Jona. Jona betekent duif. Zijn vader heette Anithaï die in de stad Gath-Hefer woonde, in de stam van Zebulon. Jona leefde 800 jaar voor Christus. Hij was een tijdgenoot van de profeten Amos en Hosea. Jona is tussen de profeten geplaatst, omdat hij profeteerde dat Israëls landpalen uitgebreid zouden worden, van de ingang van Hamath tot de Zoutzee. Dit is gebeurd onder koning Jerobeam II. Op een dag krijgt Jona de opdracht om naar Ninevé, de hoofdstad van Assyrië te gaan, en daar te zeggen dat de stad verwoest zou worden. Maar Jona wilde niet, omdat er profeten waren geweest zoals Jesaja en Jeremia die gezegd hadden dat het volk van Israël weggevoerd zou worden door de Assyriërs. Als ze zich misschien zouden bekeren is God wel geduldig en wordt de stad niet verwoest, zodat de profetie toch uit zou komen. Jona wilde
het ook niet omdat hij als Jood vindt dat een heiden niet bekeerd hoeft te worden zodat er ook geen heidenen in de Hemel komen. Jona vlucht naar de havenplaats Joppe, ook wel Jaffa genoemd en gaat naar een schip dat klaar ligt om te vertrekken, en vraagt of hij soms ook mee kan. Het schip gaat naar Tarsis, een plaats die op Cilicië ligt. Als Jona op het schip komt is hij zo moe, dat hij aan een zijde van het schip gaat slapen. Als het schip een eind de Middellandse Zee opgevaren is, breekt er een storm los. De mannen gooien alles overboord, maar dit alles helpt niets. Dan roepen ze hun goden aan doch ze worden niet gehoord. De oppermeester ziet dat Jona nog ligt te slapen, en zegt: „Wat is u, gij hardslapende, sta op en roept tot uw God misschien zal die God aan ons gedenken zodat wij niet vergaan". Maar als de storm steeds sterker wordt werpen zij het lot, opdat zij zouden weten, om wie er zo'n storm is. Dan valt het lot op Jona. Ze vragen hem, waar hij vandaan komt en wie hij is.
Dan vertelt Jona hen alles. Jona zegt dat ze hem overboord moeten gooien, opdat de storm zal bedaren. Dat durven ze niet, omdat ze weten dat hij een profeet is.
Ze roeien nog harder maar op 't laatst kunnen zij er niet meer tegenop, en worden bang dat het schip zal vergaan. Zo werpen ze Jona in zee, waar een grote vis hem opslokt. Dan ziet Jona pas wat voor een grote zondaar hij geweest is, en hoe geduldig de Heere is, en hij smeekt Hem om vergeving. Toch is Jona sterk in zijn geloof, want hij geloofde dat hij de tempel nog zou zien, Nadat hij 3 dagen en 3 nachten in de vis was geweest spuwde de vis hem uit op het strand. De Heere roept Jona voor de 2e keer, dat hij naar Ninevé moet gaan. Nu gaat Jona. Hij komt na 3 dagen lopen bij Ninevé aan, een stad die naar de oprichter Ninus is genoemd. Ninevé had een omtrek van 60 km. Er waren straten van 20 km lengte, en de muren om de stad waren 25 meter hoog daar waren 1500 torens op de muren van 65 meter hoogte. Jona liep door de straten en riep: „Nog 40 dagen dan zal de stad verwoest worden". De mensen die dit hoorden werden bang. De koning hoorde dit ook, scheurde zijn kleed en zei: „Dat mens noch beest iets ete noch drinke, opdat God misschien berouw zal hebben, als hij ziet dat het volk berouw heeft en het volk zal sparen". De mensen vastten 3 dagen. Toen Jona zag, dat het volk zich bekeerde van hun zonden en God cle stad niet verdelgde, was hij ontevreden. Jona zat op een berg ten Oosten van Ninevé. 's Middags wordt de zon zo heet dat Jona nog ontevredener wordt, en vraagt of hij maar sterven mag, omdat het toch geen nut heeft om te leven. Die nacht beschikte de Heere over een boom, zodat Jona beschutting had tegen de felle zon. Maar de volgende dag is de boom verdwenen, door een worm die de wortel aangetast heeft. Jona vraagt weer of hij maar sterven mag. Dan zegt cle Heere tot Jona: „Hoe kunt gij nu kwaad zijn terwijl gij wenste dat de hele stad Ninevé verwoest zou worden met al die kinderen en het vee, terwijl je zelf toch niet beter bent dan de anderen". In het jaar 610 voor Christus wordt de stad toch verwoest omdat ze weer in zonden waren gevallen. Het volk wordt weggevoerd door de Babyloniërs die samen met de Meden een verbond opgericht hadden tegen het rijk van Assyrië.
Truus Bontenbal.
Ik hoop, dat er nog dikwijls wat van jou in ons blad zal mogen staan Truus.
Zo, dit was het dan weer. Allen hartelijk gegroet en tot D.V. een volgende keer.
C. de Bode,
Ten Ankerweg 10 - Tholen Tel. (01660) 702.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 1968
Daniel | 16 Pagina's