Die de Heere vroeg zoeken
Die de Heere vroeg zoeken „Mijn vader, waar is het Jam tot
het bra Die de Heere, vroeg zoeken zullen Hem vinden. Wat komt dat duidelijk uit in het leven van ïzak, die de vraag aan zijn vader stelde: „Vader, waar is het lam tot het brandoffer? "
Izak, het kind der belofte, werd door Abraham meegenomen naar een van de bergen die de Heere noemen zou om daar geofferd te worden. Met recht: „Gij hebt uw volk een harde zaak doen zien." Het offer van Abraham staat op de voorgrond in deze heilige historie. Maar al is dat op zichzelf beslist waar, ook Izak treedt hier naar voren. Hij is nog jeugdig — slechts 17 jaar oud — maar de rijke vrucht van zijn geloof domineert. Wij lezen van hem alleen dat éne voorval: zijn vrijwillige overgave aan de wil des Heeren èn aan de wil van zijn godvruchtige vader.
Wat een rijke vruchten van geloof en bekering openbaren zich dan al zo jong in het leven van Izak. Zie maar naar de weinige woorden die vader Abraham en Izak spraken. Godsvrucht blijkt niet uit ellenlange verhalen of zware termen, maar uit oprechte soberheid en eenvoud. Dat zijn de diamanten van het geloofsleven.
Ontroerend is de tere vraag die Izak stelt: Mijn vader...." Toen de Heere Abraham riep, antwoordde hij: .Zie hier ben ik." Zo was het ook bij Izak, toen hij door zijn vader gewekt werd: Zie hier ben ik, mijn vader." Voor Abraham het bevel des Heeren: aarom? en in geloofsgehoorzaamheid is het: aarom, omdat God het zegt. Voor ndoffer? " (Gen. 22 : 7) Izak: at vader zegt en doet is goed. Beiden nemen het kruis der beproeving op door het bevel van de Heere op te volgen. Izak kent geen tegenspraak, geen tegenstand. Hij doet wat de Heere wil en zijn vader zegt.
Aan de voet van de berg gebiedt Abraham de knechten met de ezels onder aan de berg te blijven. Dat mogen Gods knechten wel eens afbedelen wanneer ze de kansel op moeten.
Abraham legde het hout op Izak en daarin is deze jongen een type van Jezus Christus, die ook Zijn eigen kruis droeg. Abraham draagt het vuur, neemt het mes in zijn hand en zo gingen ze beiden tesamen. Bergopwaarts, ieder met zijn eigen gedachten. Er werd niet veel gepraat. Wat Abraham al drie dagen verwacht had, kwam bij het beklimmen van de berg. Het is een pijnlijke vraag: „Mijn vader? — En hij zeide: Zie hier ben ik, mijn zoon. — Izak zeide: Zie het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer? " Uiteindelijk was dat het voornaamste bij een offer, en juist dat ontbrak. Vandaar de vraag. Het is zo echt menselijk en logisch. Maar de argeloze vraag zet de vader het mes op de keel. Abraham wist dat die vraag komen zou. Mij dunkt, een brok schiet hem in de keel en hij zucht tot de Heere. Dan breekt het geloof door. Hij zegt niet: Dat ben jij, Izak. Nee, „God zal Zich zelf een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon." Dan zwijgt Izak. Hij is vol vertrouwen op zijn God.
De toebereidselen worden gemaakt. Verwonderd kijkt Izak toe. Geloof, hoop en liefde maken het altaar spoedig gereed, en clan: Izak! — Ja vader, hier ben ik! Wat is er, vader? — Izak, mijn zoon.. .. mijn geliefd kind.... de stem stokt... . Izak, ik moet jon offeren.... Het hoge woord is er uit. Wie zal vertolken wat er omging in het hart van de oude vader? Ik denk alleen dit: „O God....".
En Izak? Hij loopt niet weg. Hij protesteert niet. Hij geeft zich alleen over. Vrijwillig doet hij dat, eenswillens met vaders handelingen. Zo is hij een type van de meerdere en eeuwige Izak, Jezus Christus, die gehoorzaam is geworden tot de dood des kruises. In het zwijgen komt liet handelen en in daden het spreken openbaar. De ogen van Izak zien de ogen van de oude vader, waarin alleen de liefde tot elkander is te lezen, het verstaan van elkander. In het niets zeggen, zeggen ze alles.
, , d' Ogen houdt mijn stil gemoed opwaarts om op God te letten!"
Wanneer het ogenblik van offeren komt opent de hemel zich. God spreekt: „Abraham, strek uw hand niet uit aan de jongen en doe hem niets. Want nu weet Ik dat gij godvrezende zijt en uw zoon, uw enige Mij niet hebt onthouden." Heerlijke Godsopenbaring. Tot grote vreugde van vader en zoon, die dankbare tranen storten. Izak behoeft niet te sterven, „want bij de Heere zijn uitkomsten, zelfs tegen de dood." Vader èn zoon zullen offeren. Het ram wordt ontdekt dat in de struiken verward zit. Zie daar het offer dat God Zich zelf ten brandoffer heeft voorzien. Even later ligt het dier op het altaar:
„Dan zult gij recht naar 't outer treden en offren God, een rein gemoed, Het offer der gerechtigheden en 't zuiv're reuktoerk der gebeden."
Lezer (es), bij Izak werd de hemel ge-V J opend, op Golgotha bleef de hemel gesloten en zweeg de Vader, toen Hij Zijn geliefde Zoon overgaf voor de zonde van Zijn volk. Jezus Christus was zelf het offer en stelde op het altaar des kruises Zijn leven uit liefde beschikbaar opdat Zijn Woord dan pas betekenis zou krijgen: „Ik ben de opstanding en het leven. Die in Mij gelooft
zal leven, al ware hij gestorven." Wat een beproeving voor de jeugdige Izak. Hij was geen doorgeleid mens, maar een voorbereid mens. Het heeft een stempel op zijn leven gezet. En met de beproeving beschikt de Heere ook de uitkomst, laten we dat nooit
vergeten. De Heere richt het leven van Izak en het redeloze dier doet in zijn dolen geen tred zonder 's Heeren wil. En wanneer de Heere dankstof verleent, zai Hij het dankoffer niet doen ontbreken. We hebben het maar op het altaar te
leggen. En wat is nu het grootste offer wat Izak zelf mocht brengen? Uit kracht van het ware beginsel en uit vrucht van de oprechte keuze door de Heilige Geest in zijn jonge hart gewerkt? Het is een aan Hem toegewijd leven in de overgave van zijn hart. Door het geloof heeft Izak zijn hemelse Vader èn Abraham gehoorzaamd!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 maart 1968
Daniel | 16 Pagina's