JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Rond en uit de Bijbel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rond en uit de Bijbel

9 minuten leestijd

Heiligheid.

Naar aanleiding van Obadja's woord: „en de berg Sions zal een heiligheid zijn, " lijkt het ons goed om na te gaan wat „heiligheid" in de H. Schrift eigenlijk inhoudt. Zo vaak lezen we over zulke woorden heen. En dat is jammer, omdat het kennen van de betekenis van heiligheid, gerechtigheid, trouw, genade e.a. van het grootste belang is voor het verstaan van de Bijbel. Een vorige maal hebben we het woord „gerechtigheid" in het kort onder onze aandacht genomen. Nu zouden we dat met het woord „heilig(heid)" willen doen. Het Hebreeuwse woord qodesj komt van een stam q-d-sj. Dat betekent: afzondering.

Maar daarmee hebben we het nog niet precies genoeg weergegeven. Want „afzondering" heeft in onze taal een te negatieve betekenis. Bij „afzondering" denken we immers aan: ergens niet bij behoren, niet met iets mee doen, afgesloten, geïsoleerd zijn. In het Hebreeuws heeft „heilig" veelmeer een positieve betekenis. Als je „heilig" bent, houdt dat in dat je behoort bij een apart; , ander gebied; je bent dan iemand van een e Bijbel u? ) ander soort. We zullen dit verduidelijken.

In Israël is iets heilig omdat de Heere er van gezegd heeft: dat behoort Mij toe, dat is bestemd voor Mijn dienst. Ik weet wel, dat brengt met zich mee dat zoiets dan niet aan de wereld en de afgoden behoort, maar dat laatste is slechts een gevolg van het eerste, en niet andersom! Iets moet positief aan de Ileere gewijd zijn, wil er sprake zijn van heiligheid. Waarom? Omdat de Ileere heilig is! Een voorbeeld: Wij zijn niet heilig als we ons maar nauwgezet afzonderen van de wereld en niet in de zonde leven! Maar we zijn pas heilig als die afzondering voortkomt uit het behoren tot Gods genadeverbond (zie Doopsformulier), als wij afgezonderd zijn tot Zijn dienst, gewijd aan Zijn wil. Daarover straks meer.

Heiligheid ligt dus niet in ons (doen en) laten in de eerste plaats, maar in het aan de Heere toebehoren. Dat komt omdat we het woord „heilig" eigenlijk voor alles moeten toepassen op de Heere. Van Hem uit hebben we over heiligheid te spreken. Hij is de heilige God. Ook hier betekent dat niet dat de Ilee-

re afgezonderd, geïsoleerd is van de mensen, zodat Hij er niets mee te maken zou willen hebben. Dat is veel te negatief. Nee, Hij is anders dan de mensen, Hij is de Hoge en de Verhevene, de Koning, de Schepper. En dat houdt in dat Hij met afgoden en de zonde geen gemeenschap wil hebben; die behoren Hem niet toe, die zijn niet heilig. Maar deze Hoge en Verhevene moge dan onvergelijkelijk groter en anders zijn dan de nietige mens, Hij bemoeit zich desondanks met die mens. Hosea 11 zegt het zo treffend: „Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u." Hij is dus de Heilige, de Andere, maar tegelijk is Hij in het midden van ons. Hij is werkelijk geen mens, maar toch spreekt Hij met Mozes als met een vriend. Zo zien we in het O.T. al een afschaduwing van de Heere Jezus Christus, de Immanuël: de God-met-ons, die tegelijk waarachtig God en waarachtig mens is. In de Heere Jezus zien we het geheim van Gods heiligheid.

Gods heiligheid is dus geen verheven afzondering, maar gaat juist gepaard met omgang met Zijn volk. We kunnen ook zeggen: heiligheid gaat gepaard met liefde. Uit vrijwillige liefde werft Hij Israël als zijn bruid (zie Hosea!). Maar het blijkt wel dat Gods liefde een heilige liefde is. Daarom duldt de Heere geen andere geliefden naast zich. Hij is een na-ijverig God. Andere goden naast zich duldt Hij niet.

Omdat God heilig is, eist Hij ook heiligheid van zijn volk: „Weest heilig, want Ik ben heilig." Het volk woont immers in zijn midden, het is immers Gods eigendom, het behoort Hem toch toe? En dat moet gevolgen hebben, dat moet gestalte krijgen in het leven van het volk Israël. Daarom mogen ze geen andere goden dienen. Daarom moeten ze God lief hebben boven alles en de naaste als zichzelf. Heidense practijken zijn voor Israël verboden, niet zomaar omdat die heidense practijken op zichzelf „geladen" zouden zijn met kwade machten, maar omdat de Heere ze verbiedt. Alleen wat Hij verbiedt, is kwaad. Wat Hij gebiedt, is goed. Iets is pas goed als het aan Hem gewijd is; dan is het heilig. Het zal wel duidelijk zijn dat heiligheid in het O.T. niet beperkt blijft tot strikt-godsdienstige aangelegenheden zoals offer, gebed e.d. Nee, het hele leven moet geheiligd zijn, d.w.z. moet gewijd aan de eer van God. Niet alleen godsdienstige dingen, zeiden we. Misschien is het beter om te zeggen: het hele leven draagt een godsdienstig karakter. Daar zijn geen uitzonderingen op. Daar is in Israël niet die scheiding die wij zo vaak maken: de kerk is de kerken je werk is je werk „maar". Hoe juist heeft Calvijn op dit totalitaire karakter van Israëls godsdienst teruggegrepen: de politiek behoort „heilig" te zijn als de prediking, de vakstudie als de catechisatie, het werk van de bakker als het werk van de diaken. Alle gelovigen staan in het „ambt", het ambt van het toebehoren aan de Heere, het ambt van „heiligheid" zouden we kunnen zeggen. Nu moeten we ons wachten voor een dreigend misverstand. We denken n.1. zo gemakkelijk op heidense wijze over „heiligheid."

Bij de heidenen zit heiligheid ergens „in", een voorwerp is heilig omdat het met een wonderlijke, goddelijke kracht is gevuld. Zo niet in Israël. Laten we eens een voorbeeld nemen. Het huwelijk is niet heilig omdat de man en de vrouw een hoeveelheid heiligheid in zich omdragen, ook niet om het tot-één-vlees geworden zijn als zodanig heilig zou zijn. Dat is heidens. Voor de heidenen is heiligheid een bezit, een ingestorte hoedanigheid, een kwaliteit. Maar in Israël is iets slechts heilig omdat God het heeft goedgekeurd en wanneer het tot Zijn eer, in Zijn dienst en in gehoorzaamheid aan Hem wordt „uitgeleefd". „Heiligen" in Roomse zin kunnen er dus nooit bestaan. Voor Rome zijn heiligen mensen met een ingestorte genadekracht. De Bijbel kent alleen zondaren

die geheiligd zijn door hun verhouding tot de lïeere. In zichzelf blijven ze zondaren, mensen die niets beter zijn dan anderen, maar doordat de lïeere hen als volk verkiest, bemint en.... heiligt, zijn ze heilig.

Maar dit zal Israël dan ook waar moeten maken. Het zal naar Gods Wet en bevelen moeten leven. We zagen hoe Amos b.v. toornde tegen de ongerechtigheid, het verlaten en miskennen van de wil des Heeren. De profeten moeten het oordeel aanzeggen over het volk dat i.p.v. heilig, onheilig is. De lïeere echter blijft heilig. Juist omdat Hij heilig is gaat Hij straffen, want zijn heiligheid is naijverig. Hij heeft het volk lief, maar met een heilige liefde. Hij kan niet verdragen dat zijn volk Hem verlaat. Daarom geeft Hij het volk over aan de heidenen, in de Ballingschap. Maar dezelfde heiligheid is het die de Heere ten doel heeft als Hij Israël uit de Ballingschap bevrijdt. „Ik doe het niet om uwentwil, maar om Mijns heiligen Naams wil." Een rest keert terug en met dit „nieuwe" volk zal de lïeere een nieuw verbond sluiten (Jer. 31). Dit volk zal heilig zijn, d.w.z. zal aan Hem gewijd zijn. Het hele leven zal Hem toebehoren, zodat zelfs op de bellen der paarden zal staan: „de heiligheid des Heeren."

In het N.T. valt het klaarste licht over Gods heiligheid. De engel zegt tot Maria: „dat Heilige, dat uit u zal geboren worden, zal Gods Zoon genaamd zijn." De Heere Jezus is de Heilige, Gods heilig Kind Jezus (Hand. 4.) In Hem ligt het diepste geheim van Hosea 11: God, die géén mens is, woont onder de mensen. „Het Woord is vlees geworden, en het heeft onder ons gewoond" (Joh. 1). Ook in het N.T. is de heiligheid van de gemeente geen kwaliteit, geen bezit, geen hoeveelheid uitgestorte heiligheid. Heiligheid valt niet te bewerken door prestatie, maar is alleen ten geschenke te krijgen uit genade, door het geloof. „Hij is ons geworden tot heiliging" (1 Cor. 1). Ook hier moet deze geloofsgemeenschap gestalte krijgen op alle terreinen des levens. De zonde moet bestreden worden, Gods Koninkrijk moet worden uitgebreid, Jezus' Naam moet verkondigd worden en Zijn Koningschap uitgeroepen, de naaste moet gediend worden enz. Maar niet in eigen kracht, niet vanuit een hoeveelheid heilige kracht in onszelf, maar door de Heilige en heiligende Geest. En de Geest heiligt slechts daar waar geloof is, daar waar op de overste Leidsman wordt gezien, waar gezien wordt op en geleefd wordt uit de gemeenschap met de Heere Jezus. „Christus is ons geworden tot heiliging, " zegt Paulus. Dus op de vraag naar onze heiliging, wijze onze vinger voor alles op Hem! Mijn heiliging is niet een extraatje bij Zijn heiliging! Mijn heiliging is niet een wettisch móeten-streven naar volmaaktheid. Nee, de heiliging is voor alle dingen een gave die ons deel wordt door het geloof. Alleen dan behaagt God onze heiliging als wij belijden dat we in onszelf niet de minste heiligheid bezitten, als wij belijden dat wij in eigen kracht ook niet de minste heiligheid zullen bereiken, maar als wij er naar jagen om in Christus bevonden te mogen zijn. En dat, „Hem toebehoren", het voor God leven en het in-Christus-zijn is niet alleen mystiek! Ja, het is in de eerste plaats die mystieke geloofsvereniging met Hem. Maar onlosmakelijk brengt dat met zich mee dat dat gestalte krijgt, dat er vruchten uit voortkomen.

Wat is nu het kenmerk van zo'n levenin-heiliging? Het is een leven onder Zijn Koningsvaandel. Dat betekent: zelf geen koning meer zijn, niet voor jezelf leven maar voor Gods eer. Het is: in alles vragen naar wat Hem behaagt, zonder het zelf nog te weten. liet is een bereidwillig instrument zijn in Zijn handen. Het is in het leven van alle dag al onze gedachten, woorden en werken zó laten zijn, dat Gods Naam om ons niet gelasterd, maar geëerd en geprezen

wordt (zie vr. 122 H.C.) „Bereiken" we iets? Worden we dan zo langzaamaan „heiligen" in de Roomse zin? Nee. Het is veeleer een steeds dieper verstaan dat we vleselijk zijn en verkocht onder de zonde. Maar ook: een telkens en telkens weer vluchten tot de heiligende en reinigende Hogepriester. Zo heiligt de Geest; niet zonder Jezus, maar door en uit Jezus, want wat uit het geloof (in Hem!) niet is, dat is zonde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1968

Daniel | 16 Pagina's

Rond en uit de Bijbel

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1968

Daniel | 16 Pagina's