Het evangelie bedekt....
„Doch indien ons evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen die verloren gaan ."
De meesten zijn niet overtuigd dat dit evangelie waarachtig is. Wij lezen deze twee grote klachten van Christus in Joh. 3 : 11: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: ij spreken wat wij weten, en getuigen dat wij gezien hebben, en gijlieden neemt ons getuigenis niet aan: en tweede beletsel is, dat het merendeel niet overtuigd is, dat zij Christus nodig hebben. Toen de discipelen daarover werden aangesproken, waarom zo weinigen Hem volgden, en waarom Hij met tollenaren en zondaren at, zei Hij:
„Die gezond zijn hebben de Medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn." Ik kan een besef van nooddruft aanbevelen uit tweeërlei oogpunt: le.
„Zij kan alle tegenwerpingen beantwoorden. Velen zullen zeggen: Ik kan niet tot Christus komen, omdat ik vrees niet welkom te zullen zijn. Anderen zullen zeggen: Ik zou wel willen komen, doch heb niet die mate van heiligheid, die ik zou wensen te hebben. Weer anderen zullen zeggen: Ik zou wel willen komen maar ik kan mijn hart niet bij Hem krijgen. Ik mag van de nooddruft, van dringende behoefte, zeggen, wat Salomo van het geld zegt: „Het verantwoordt alles." 2e. Het ongeloof wil een zondaar door een achterdeur laten binnenkomen, maar nood voert de mensen op de koninklijke weg tot Christus. Een derde hinderpaal die maakt dat de hoorders van het evangelie zo weinig met Christus op hebben, is dit, dat er in het hart van elk mens iets is, dat de gebruikmaking van dit evangelie van Jezus Christus in de weg staat. Zij zeggen: wat mij terughoudt van Jezus Christus is dat Hij mij, al zou ik komen, niet zal willen ontvangen. Doch . ik zeg u, dat gij liegt. Christus weet wel zo goed als gij wie de schuld van het ongeloof draagt, en Hij zegt: „Gij wilt tot mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben." Schrijft nooit uw ongeloof aan de duivel toe, noch aan uw ongenoegzame vernedering, maar aan uzelf: „Gij wilt de koop niet sluiten."
Een volgend beletsel, dat velen niet geloven, is dat het evangelie om niet is. Er zijn er die de twee verbonden willen verdelen. Zij willen van elk een gedeelte nemen, doch zij zullen nooit voorspoedig zijn. Een vijfde hinderpaal is roekeloze wereldsgezindheid. Wat staat velen in de weg? Een vrouw, een huis, een landgoed.
Een zesde verhindering is, dat men niet in zijn hart overtuigd is, dat er geen andere weg is, dat er geen andere Naam is, door welke wij kunnen zalig worden, dan Jezus Christus.
Een zevende beletsel is, dat velen vervreemd zijn van deze drie dingen: Zij weten niet dat de vloek Gods op hen rust vanwege de zonde. Zij kennen de vreselijke gevolgen niet, die hun te wachten staan. Zij zijn vreemdelingen van de liefelijkheid en van de weergaloze voordelen, welke het deel zullen zijn van hen die op God wachten. Van velen kan gezegd worden, wat in een ander geval van de Joden gezegd is, dat „wanneer Mozes gelezen wordt, een deksel op hun hart ligt." Zo ook kunt gij, wanneer Christus en het evangelie u gepredikt worden, die zielverbrekende bekoring welke er in is, niet gewaarworden.
Een achtste verhindering is, dat velen de goedkeuring van mensen meer zoeken dan de goedkeuring Gods. „Hoe kunt gij geloven, gij die eer van elkan-
der neemt, en de eer die van God alleen is niet zoekt? "
En eindelijk is nog dit beletsel, dat maakt dat de hoorders van het evangelie zo weinig op Christus verliefd worden, n.1. dat er zulk een vervloekte overeenstemming is tussen ons en onze afgoden. Wat zal ik zeggen? Zal ik van u aflaten? Voordat ik eindig zal ik u nog enkele vragen doen.
Ik vraag u: Is er iets in de hemel dat bij Christus te vergelijken is? Is er iets dat die allesovertreffende waarde heeft welke in Hem is? Nu, als Hij dan Zijns gelijke niet heeft, wat houdt u dan van Hem af? Zegt niet uw licht: O dierbare Christus! Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen? En zeggen niet uw afgoden: ik ben schoner? Er zijn er die zeggen: O dierbare Christus! Gij zijt meer waard dan tienduizend van mijn drekgoden, en die toch met hun genegenheden meer aan hun afgoden gebonden liggen, dan aan Christus. Is hier heden niemand die overtuigd is, dat dit evangelie in vorige tijden voor hem bedekt was en de duivel in de tempel zijns harten zetelde en regeerde?
Gelooft gij dat de eeuwigheid nadert en dat deze uw oogzenuwen eerlang zullen breken en dat de lust zal vergaan? Gelooft gij, dat gij eerlang de poort tussen de eerste en de tweede dood zult doorgaan? Als het geloofd werd zouden wij niet zover van God afleven. Gelooft gij dat het niet lang zal duren, dat Christus het koninkrijk aan de Vader zal overgeven en dat dit vredesverdrag, dat tussen Christus en zondaren is, zal worden ingetrokken? Zijn er niet sommigen, die de vraag wel mogen stellen: o heeft Christus, heeft Christus zijn laatste woorden tot mij gesproken?
Laat mij, om daarmee te besluiten, nog deze vraag doen, o verachters van dit evangelie en geringschatters van de Zone Gods! Welke verontschuldiging zult gij bij Christus inbrengen, wanneer gij Hem zult zien, zittende op de wolken des hemels met een wit kleed, en wanneer Hij iedereen bij zijn naam zal afvragen: Waarom veracht gij Mij? En wij weten dat uw antwoord zal zijn: O helaas, dat ik nooit het evangelie gehoord had!
God geve, dat dit uw geval niet moge zijn! Amen.
Uit: Elf predikatiën op Avondmaaltijden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1968
Daniel | 16 Pagina's