OBADJA
De persoon van Obaclja.
De persoon van Obaclja. Van de schrijver van deze kleinste „kleine profeet" weten we niets meer dan de naam. Obadja betekent: Knecht van Jahwe, een naam die vaker voor-
komt in het O.T. Obad of Obed betekent: knecht, en - ja is een afkorting van Jahwe, Heere. Het is opvallend hoe vaak we in het O.T. namen tegenkomen met een afkorting van „Jahwe" erin verwerkt. Aan het begin van een naam luidt die afkorting Jo-, b.v. Jo-nathan (de Heere heeft gegeven) en aan het eind - ja, zoals in Nathanja (ook: gegeven heeft de Heere) en in Obadja.
De tijd waarin de profeet leefde.
Over de tijd van Obadja's optreden is heel verschillend gedacht. Omdat we over de persoon van Obadja niets weten, zijn we voor de datering dus afhankelijk van eventuele aanwijzingen in zijn profetie. Die zijn er inderdaad. In de eerste plaats wordt vanaf vs. 11 gesproken over de vijandige houding van de Edomieten — een broedervolk van Israël —, toen Jeruzalem het zwaar te verduren had onder een buitenlandse vijand. Het ligt voor de hand om hier te denken aan de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs in 586, vgl. 2 Kon. 25. Want uit andere plaatsen van het O.T. is ons bekend dat de Edomieten in die tijd met leedvermaak Juda's ongeluk nog verzwaard hebben. Zo spreekt Ez. 25 over Edoms wraakgierigheid, over zijn vijandschap ten tijde van Israëls verderf. Klaagliederen 4 zegt: „Wees (maar) vrolijk, Edom, doch de beker (van Gods toorn) zal ook tot u komen."
Zo zouden we Obadja dus na de verwoesting van Jeruzalem (586) kunnen de Bijbel m dateren. In deze mening worden we nog versterkt, daar het blijkt dat Obadja de profetieën van Jeremia heeft gekend cti daaraan heeft ontleend. Zo luidt Obadja 5: „Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren...., zouden zij niet gestolen hebben zoveel hun genoeg was. .. ." De overeenkomst met Jer. 49 vers 9 — een profetie over Edom! — is onmiskenbaar: „. . .. zo er dieven bij nacht gekomen waren, zouden zij niet verdorven hebben zoveel hun genoeg was? " Dit is met tamelijk veel voorbeelden te vermeerderen. Natuurlijk kunnen we ons afvragen of Jeremia niet net zo goed aan Obadja ontleend kan hebben. Nu is dat niet waarschijnlijk, omdat Obadja nog veel méér uit andere O.T.ische geschriften aanhaalt: hij citeert uit Amos, Jesaja, Jeremia en de Psalmen. We mogen dus gerust de conclusie trekken dat Obadja van Jeremia afhankelijk is op de bovengenoemde plaats. Jeremia leefde van 630—580. Dus Obadja leefde na de verwoesting van Jeruzalem en kende Jeremia's profetieën. Om allerlei redenen zal hij niet lang na 586 hebben geleefd. We zullen hem wel mogen plaatsen onder de Jahwe-getrouwe kringen die in Palestina waren achtergebleven t.t.v. de Babylonische Ballingschap.
Iets over de Ballingschap.
We hebben al eerder gezien dat in 732 Samaria in de handen der Assyriërs was gevallen en dat toen vele Noord-Irsaëlietcn in ballingschap waren weggevoerd naar Assyrische gewesten. In de Oudheid gebeurde zoiets vaak: de bevolking werd dan uit een overwonnen gebied weggevoerd, en overgebracht naar een soort strafkolonie. Dat deed men om zo alle verzet in het overwonnen gebied onmogelijk te maken. Het betreffende land werd dan door de overwinnaars
bevolkt. Zo kwamen in het gebied van het vroegere Noordelijke Rijk dat nu een Assyrische provincie geworden was, kolonisten uit Assyrië. Dezen vermengden zich met de weinige achtergebleven Israëlieten. Later wordt deze gemengde bevolking aangeduid met de naam Samaritanen (vgl. 2 Kon. 17).
In de 7e eeuw behoudt Assyrië aanvankelijk de wereldmacht, en het kleine Juda — het is slechts een klein gebied rond Jeruzalem — kan a.h.w. ieder ogenblik worden opgeslokt door de veroveringszucht van dat enorme wereldrijk. Maar de volkeren zijn voor Israels God als een druppel aan de emmer, als een stofje.... En als Sanherib in 701 Jeruzalem belegert, slaat de Engel des Heeren 185.000 Assyriers!
Later in de 7e eeuw wordt Assyrië gaandeweg zwakker, terwijl nu Babylons macht toeneemt. In 612 neemt Babyion Nineve in, de Assyrische hoofdstad. Babylon wordt steeds sterker, vooral onder de beroemde koning Nebukadnezar. Nu heeft Babylonië de wereldmacht in handen, voorzover de Koning der aarde dat toelaat. De Heere laat niet alleen toe, maar gebruikt de wereldmachten zelfs als instrumenten in Zijn hand. De profeten kondigen Jucla's ondergang aan als straf op haar Godsverlating. En omdat het Woord des Ileeren nooit ledig wederkeert, maar steeds wordt vervuld, volgt dan ook Jeruzalems verwoesting. Vanuit deze gezichtshoek beschrijft de Bijbel ons de geschiedenis van Israël: er gebeurt niets door louter politieke oorzaken, maar de politieke omstandigheden zijn een middel in Gods hand om Israël te leiden, te straffen en te onderwijzen. Zedekia nu, de laatste koning van Juda, weigert in 5S8 de schatting aan de Babylonische koning Nebukadnezar te betalen, waarop de belegering van Jeruzalem volgt. Stad en tempel worden verwoest en het belangrijkste deel van de bevolking wordt in ballingschap weggevoerd. Slechts het allerarmste gedeelte der bevolking bleef in het land achter, onder leiding van Gedalja als stadhouder. Hieronder moeten we Obadja zoeken, zodat hij wel niet tot „de groten en edelen des volks" zal hebben behoord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 januari 1968
Daniel | 16 Pagina's