ONS LAND ROND DE REFORMATIE
III.
DE MODERNE
Zoas wij in enkele voorgaande artikelen hebben bezien, hebben de Moderne Devoten in de eerste plaats een reformatie binnen de Kerk nagestreefd. Daarnaast hebben zij door hun prediking in de landstaal, hun onderwijs en andere praktische arbeid in dienst van de naaste de bodem in ons land toebereid. Daardoor zou het zaad van Gods Woord, dat na de Kerkhervorming in 1517 ook in ons land werd uitgestrooid, snel ontkiemen. Reeds in 1523 kwam de eerste Nederlandse vertaling uit het Duits van het Nieuwe Testament uit; in 1526 verscheen bij Jacob van Liesveldt de eerste vertaling van de gehele bijbel. Deze Liesveldtbijbel is herhaaldelijk herdrukt (nog tot in 1629) en is velen tot zegen geweest. Duizenden werden tot de kennis der waarheid gebracht. Maar ook nu weer werd het Woord Gods vervuld: „Ik ben niet gekomen om vrede op aarde te brengen, maar het zwaard." De staat en de R.-K. Kerk traden beiden tegen het Lutheranisme op. Het middel om de ketterij te bestrijden
was de inquisitie, de rechtbank die zich met het opsporen en bestraffen van de ketters bezighield.
In de door keizer Karei V uitgevaardigde plakkaten tegen de ketterij kregen de inquisiteurs aanwijzingen, hoe zij hun taak moesten vervullen. Van de totaal negen plakkaten die de keizer heeft uitgevaardigd zijn die van 1540 en 1550 om hun gestrengheid berucht geworden. Die van 1550 bepaalde dat degenen die van de Roomse leer afweken onherroepelijk zouden worden terechtgesteld. Zelfs het betonen van berouw voor de rechters zou hen niet van de dood kunnen redden. In dit geval zouden de mannen onthoofd en de vrouwen levend begraven worden. Bleven ze echter in hun dwalingen volharden, dan zouden ze, zowel man als vrouw, levend verbrand worden. Hun bezittingen zouden worden verbeurd verklaard.
Reeds op het bezitten van een bijbel stond de doodstraf.
Ieder die, zonder zelf een ketter te zijn, contact had gehad met een verdachte of hem had geholpen, zou op dezelfde wijze gestraft worden. Het plakkaat deed bovendien een beroep op de laagste instincten van de mens: het bepaalde dat ieder die een verdacht persoon bij de rechters aanbracht een gedeelte van de eventueel verbeurd te verklaren goederen zou krijgen. Over het algemeen
heerste er zowel bij wereldlijke als geestelijke overheidspersonen een afkeer van al te strenge toepassing der voorschriften.
Een kettervervolging, zoals de bloedplakkaten die eisten, lag niet in de aard van ons volk. Vandaar dat de plaatselijke autoriteiten, zolang de maatschappelijke orde niet werd aangetast en de verdachten zich als rustige burgers gedroegen, vaak geneigd waren iets door de vingers te zien.
De geestelijkheid in ons land veroordeelde vanzelfsprekend de ketterij, daar ze zielen in gevaar en het land in onrust bracht; ze miste echter in 't algemeen de felheid van de regering om ze te vuur en te zwaard te verdelgen. Velen van het gewone volk waren er eveneens afkerig van dat zovele slachtoffers, alleen om het feit dat zij God op hun wijze wilden dienen, dezelfde straffen moesten ondergaan, als men in die tijd op de grootste misdadigers toepaste. Enerzijds met diep medelijden, maar anderzijds met grote bewondering voor de moed, de waardigheid en het Godsvertrouwen waarmee de martelaren de dood tegemoet traden zag de bevolking de slachtoffers naar schavot of brandstapel voeren.
Het is meerdere malen gebeurd dat de volksmenigte de beulsknechten in hun werk hinderde of zelfs de veroordeelden wist te bevrijden. Toch was het aantal slachtoffers der inquisitie groot. Naar schatting zijn onder Karei V tienduizend ketters ter dood gebracht. De martelarenboeken uit die dagen leggen een aangrijpend getuigenis af van de moed, de standvastigheid en het lijden van de hervormingsgezindcn in onze lage landen.
De eerste martelaren in de Nederlanden waren twee monniken uit het Augustijner klooster te Antwerpen, Hendrik Voes en Johannes van Essen. Reeds in 1519 verspreidde de prior van dit klooster het Lutheranisme in de stad en sindsdien was het klooster een centrum van waaruit de nieuwe leer werd gepropageerd. Om die reden werd het in 1522 met de grond gelijk gemaakt.
De monniken werden allen gevangen genomen en aan een geloofsonderzoek onderworpen. De meesten bezweken; slechts Hendrik Voes en Johannes van Essen weigerden hun geloof te verloochenen.
Zij werden op 1 juli 1523 op de Grote Markt te Brussel verbrand.
Toen Luther dit vernam was hij zeer bedroefd. Hij schreef een brief „aan alle Christenen in Holland, Vlaanderen en Brabant."
Aan de brief voegde hij een gedicht toe dat in vertaling luidt:
Een nieuw gezang heffen wij aan Het klimt tot God, de Heere. Wij zingen wat God heeft gedaan Te Zijner lof en ere.
Te Brussel in Zuid-Nederland Zijn nu twee jonge mannen Door 's vijands wreed geweld verbrand, Tot vreugde dier tirannen.
Hun as gloeit voort en laat niet af, Maar stuift van land tot lande. Hier helpt geen kloof, geen kuil, geen graf, Hun dood is 's vijands schande.
De zomer staat nu voor de deur, De winter is verwonnen.
't Gebloemte prijkt in geur en kleur. Hij die zo is begonnen Zal eens zijn werk volenden.
Spoedig volgden ook in de Noordelijke Nederlanden de doodvonnissen. Lange tijd heeft men Willem Dirksz., de rode kuiper uit Utrecht, als de eerste martelaar alhier beschouwd. Nadere onderzoekingen hebben uitgewezen dat hij in augustus 1525, toen Jan de Bakker werd terechtgesteld, nog leefde. Deze Jan de Bakker of Johannes Pistorius (hij was pastoor geweest te Woubrugge, welk ambt hij in 1523 had neergelegd om als leek des te vrijer te kunnen getuigen) was slechts 26 jaar oud toen hij bij de Gevangenpoort te 's-Gravenhage op het schavot werd geworgd en daarna verbrand.
Zijn medegevangenen in do Gevangenpoort hieven tijdens de terechtstelling het „Te Deum" aan.
De bekendste martelares in ons land was Wendelmoet Claesdochter van Monnikendam.
Van haar zegt het martelaarslied ontroerend eenvoudig:
„De beul trat aen om te worgen, Toen sloot sy haer oogen fijn, Hebbende int hert verborghen Een trooster niet om sorghen,
(= zulk een trooster, dat zij niet behoefde te vrezen)
Verlanghende thuys te sijn Dus lieffelijck ontslapen Is Wendelmoet in den Heer "
Ondanks de heftige vervolging gold ook nu weer de wet: het bloed der martelaren is het zaad der kerk.
De kerk groeide, zij het ook vooral buiten de landsgrenzen.
Want zeer velen vluchtten en vonden in Duitsland en in Engeland een toevluchtsoord. De voornaamste
vluchtelingengemeenten ontstonden in Wezel, in Frankfort, in de Paltz en in Emden. In de laatstgenoemde plaats werkte plm. 1545 de Poolse edelman, Johannes a Lasco, een theoloog die de Reformatie met hart en ziel was toegedaan. In 1550 werd hij genoodzaakt met de Nederlandse vluchtelingen naar Londen te gaan. We kunnen zeggen dat in Londen de eerste organisatie der Nederlandse Hervormde Kerk tot stand kwam.
Hier zorgde a Lasco, bijgestaan door de Vlaming Jan Utenhove en andere bekwame mannen, voor een kerkorde, psalmberijming, geloofsleer en catechismus. De Heere heeft Zijn Kerk in deze periode geleid langs diepe wegen. Ofschoon de vijand alles in het werk gesteld heeft haar uit te roeien, God hield Zijn Kerk in stand. Zij mocht, bezield door het geloof, de vijand tegemoet treden met de woorden van de grote hervormer, ons nagelaten in het stoere Lutherlied:
Beef Satan, Hij die ons geleidt, zal u de vaan doen strijken. Delf vrouw en kind'ren 't graf, Neem goed en bloed ons af, Het brengt u geen gewin.
Om dan, met een vast vertrouwen in de toekomst, met een jubelende climax te eindigen:
Wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken!!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1967
Daniel | 16 Pagina's