NIEUWJAAR
„En zift vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: k zal U niet begeven en Ik zal U niet verlaten, " (Hebreen 13 : 5b)
Vrienden, onze tekst bevat een troostrijke bemoediging bij het begin van een nieuw jaar. De Heere zegt: „Ik zal U niet begeven en Ik zal U niet verlaten."
Naar recht kon het zo heel anders zijn. Wij hebben immers in ons verbondshoofd Adam allen God verlaten en ons van Hem afgekeerd met een eeuwige afkering. En daar wij nu God verlaten hebben, daar kan God krachtens Zijn onkreukbare rechtvaardigheid tot die mens niet anders zeggen dan: Ik zal U begeven en Ik zal U verlaten. Dat is immers het oordeel, dat naar recht voortvloeit uit onze val.
„Begeven" wil zeggen: loslaten, zich van iemand ontdoen. En „verlaten" houdt in: zich van iemand afwenden, ja zich tegen iemand keren. En dit is nu het oordeel, dat ons allen naar recht toekomt, dat God ons zou loslaten, zich van ons zou ontdoen, ja dat Hij zich van ons afwendt vanwege de walgelijkheid en verdorvenheid van ons bestaan en zich tegen ons keert in Zijn toorn en gramschap over onze overtredingen.
O lezer, lezeres, wat is dat een bang begin voor 1968, als we zo zonder God, ja met God tegen ons, dit nieuwe jaar in moeten, een jaar met al zijn onzekerheden.
O, zonder God het nieuwe jaar in te moeten: Ik zal U begeven en Ik zal U verlaten. Wordt liet u bang om het hart, nu we dit zo neerschrijven? Leef ge 't in, in benauwdheid des harten: van God verlaten en dat om eigen schuld? Moet ge dat oordeel, dat voortvloeit uit onze diepe val, eigenen, rechtvaardigen en billijken? Naar recht van God verlaten te moeten worden en toch buiten Hem kunt ge niet! Als dit zo mag zijn bij u, dan is de klacht van de dichter u niet vreemd, toen hij zong:
„7c Bracht de nachten door met klagen", 'k Liet niet af mijn hart en oog
Op te heffen naar omhoog." Dan verstaat ge ook de gestalte van Mozes: „Heere, indien Uw Aangezicht niet medegaat, doe ons van hier niet
optrekken." Al hadden we dan niets te vrezen, dan kunnen en durven we toch buiten de Heere het nieuwe jaar niet in, want het gaat om Hem, om Zijn Gunst en gemeenschap, om de verheffing van Zijn
vriendelijk Aangezicht over ons. Maar als het nu zó in uw hart leeft bij de aanvang van dit nieuwe jaar, dan mag ik u bemoedigen in de Naam des Heeren. Want tot zulken spreekt de Heere in onze tekst: „Ik zal U niet begeven en Ik zal U niet verlaten."
Maar nu zouden we kunnen vragen: hoe kan deze troostrijke bemoediging in onze tekst samengaan met Gods rechtvaardigheid en heiligheid? God moet in Zijn rechtvaardigheid toch over de schuldige zondaar toornen en in Zijn heiligheid zich toch voor eeuwig van hem afwenden?
Ja lezers, dat is vast waar en dat leert de ontdekte zondaar ook toevallen en eigenen, maar nu hoor ik Gods eniggeboren Zoon aan het kruis klagen: „Mijn
God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? " En daar werd Hij door God verlaten, opdat schuldige, verloren Adamszonen en - dochters tot God genomen zouden worden en nimmermeer van Hem verlaten worden.
Daarin ligt dus de grond voor onze tekst, in Christus' borgwerk en nu ontvangt Gods kerk uit Christus' volheid genade voor genade, ook die genade, dat zij door God niet begeven en verlaten zullen worden. > > > i> > |> \
Nu kan de Heere wel Zijn Aangezicht verbergen voor Zijn kinderen, maar verlaten zal Hij hen nooit!
Als het voor hun gevoel zo lijkt en zij klagen: , , De Heere heeft mij verlaten, de Heere heeft mij vergeten", dan antwoordt Hij: „Zou ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon van haar schoot? Maar, ofschoon deze vergate (de Heere bedoelt: mogelijk is het haast niet, maar al was het mogelijk) dan zal Ik U toch niet vergeten. Ik heb U in Mijn beide handpalmen gegraveerd en Uw muren zijn steeds voor Mij."
Zo is dus dat oordeel, dat voortvloeit uit onze val, dat oordeel om eeuwig door God verlaten te worden, voor al degenen, die de Zijnen zijn, afgewend, afgewend in Christus, die er nameloos voor leed en stierf.
Er is niets ontzettenders, clan totaal door God verlaten te worden. Hier in dit leven is geen mens door God geheel verlaten, zelfs de godloochenaar niet. De volkomen Godverlatenheid is alleen maar in de hel. Dat maakt immers de hel juist tot hel.
Wie in dit leven door God verlaten wordt, is een willoze prooi van de duivel geworden en zijn einde zal gelijk zijn aan dat van Saul, Achitofel en Judas. Wel leren ook Gods kinderen, wat het wil zeggen, door God verlaten te zijn, maar de Heere leert hen dat in Zijn liefde en niet in Zijn toorn.
Want als de Heere de Zijnen het oordeel doet inleven, rechtvaardig door God verlaten te worden, dan is dat de weg om de troost van de belofte te ervaren: „Ik zal U niet begeven en Ik zal U niet verlaten."
Lezer, lezeres, rust toch niet, voordat ge in de poort van dit nieuw ingetreden jaar moogt weten te delen in de persoonlijke toepassing van deze rijke bemoediging.
Dan is het waarheid:
„Want deze God is onze God, IIij is ons deel, ons zaligst lot, Door tijd noch eeuwigheid te scheiden, Ter clood toe zal Hij ons geleiden."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1967
Daniel | 16 Pagina's