JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Rond en uit de Bijbel (13)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rond en uit de Bijbel (13)

6 minuten leestijd

Ontkoming?

Zoals nergens in de Bijbel, vinden we uitsluitend hier heel opvallend bijna het oordeel aangekondigd. Hiervoor zagen we dat het gericht niemand zou sparen. Hosea en Joel lieten hun oordeelsaanzeggingen veel meer gepaard gaan met de mogelijkheid van ontkoming onder voorwaarde van bekering. In Amos zijn die plaatsen schaars, hoewel niet geheel afwezig. We bemerkten dat Amos in zijn derde visioen niet meer voor het volk durfde tussentreden door zijn voorbede. Die weg is aan zijn kant afgesloten. Maar de mogelijkheid van bekering aan de kant van het volk zelf houdt hij tegelijk mèt en dwars door zijn absolute oordeelsaankondiging open. Ondubbelzinnig staat dat in 5 : 4: Zoekt Mij en leeft, maar zoekt Bethel (= de

afgodendienst) niet." De Heere raadt hier het volk dus aan om zich te bekeren van de afgoden tot de levende God, Hem lief te hebben en te gehoorzamen —, dat wordt met het „zoeken" bedoeld. Daarmee gepaard gaat de belofte: Dan zult gij leven. Maar er iets anders dat de stelligheid van dc ondergang mede bepaalt. Het volk zal zich n.1. niet bekeren, dat weet de Heere. Zoals Hij dat aan Jesaja zegt („Maak het hart van dit volk vet, opdat het zich niet bekere"), zo is deze verharding ook bij voorbaat voor Amos duidelijk. In hfdst. 4 zegt de Heere: Ik heb u hongersnood gegeven (letterlijk staat er: reinheid der tanden) om u tot bekering te leiden, maar gij hebt u niet bekeerd; Ik heb u met droogte gestraft, met misoogsten, met sprinkhanen, met nederlagen in de oorlog...., „nochtans hebt gij u niet bekeerd, " luidt het refrein.

Hoewel dus het gericht niet afgewend zal worden, zegt hfdst. 5 toch dat er „misschien" ontferming zal zijn voor liet overblijfsel van Jozef dat de gerechtigheid doet. Gezien in het licht van heel Amos' prediking zal dit betekenen dat er voor de weinige rechtvaardigen die trouw zijn aan de Heere een louterende werking zal uitgaan van het gericht en dat zij daarna zullen worden hersteld door Gods genade. Maar, 5 : 16 zegt het, het is: misschien." Dit „misschien" is in overeenstemming met het algemene karakter van Amos' profetie: oor het overgrote deel moet hij het oordeel aankondigen. Dat was zijn opdracht. Blijkbaar heeft hij geen duidelijke aanwijzingen gekregen om met zekerheid over ontkoming te spreken. Hij kan daarom de poort der belofte niet wagenwijd open zetten, maar slechts op een kier, opdat het volk zich in ootmoed (zie boven!) zal buigen voor de rechtvaardige God

die zijn welbehagen uitvoert. Maar de volledige zekerheid breekt daar door, waar Amos moet profeteren over datgene wat de Heere gaat doen zonder en ondanks al wat van de mens is: de wederoprichting van de vervallen hut van David.

De Messiaanse belofte.

God is rechtvaardig. Hij richt en straft zijn ongehoorzaam volk, maar blijft voor zijn eer zorgen. En in die „ere Gods" zijn mensen betrokken, worden zondaren gered. Boven hadden we het over het „misschien" van de ontferming op de bekering. Dat is aan onze zijde altijd zo. Bij ons is het vol vraagtekens, onzeker, zelfs onmogelijk. Maar waar de Heere dwars door de veroordeling van alle zondige vlees dat zich tegen Hem verheft, zijn goddelijke daden gaat stellen naar zijn welbehagen, daar is geen sprake meer van het „misschien". Daar klinkt het gewisse „Ik zal". Zo gaat het altijd. Waar de Heere onze aandacht aftrekt van al het onze — ook van onze vrome werken en bekeringsijver — daar mogen en kunnen we niet misschien zalig worden, doch daar moeten we zalig worden. Want ziende op Gods rechtvaardige, van één kant komende daden, staan niet meer wij in het middelpunt, maar staat de Borg en Middelaar Jezus Christus in het midden. Daar leert de H. Geest dat Hij het is Die het gericht heeft ondergaan voor onrechtvaardigen, Die de Wet heeft vervuld voor Wetsverzakers, Die de dood heeft overwonnen voor doodsschuldigen. Luther zegt: op Hem mijn ongerechtigheid, op mij Zijn gerechtigheid. Dit is de Messias. Hij wordt hier niet met name genoemd, maar Hij is het hart van deze heilsbelofte, de Koning van het Messiaanse Koninkrijk. Terwijl het volk zich niet zou bekeren — zoals we zagen — en de raad des Heeren in de wind sloeg („Haat het boze en hebt lief het goede en bestelt het recht in de poort"), heeft Hij het boze wel gehaat en overwonnen en het goede gedaan en verworven. Jesaja profeteert van Hem: „En Hij zal naar het gezicht zijner ogen niet richten...., de armen met gerechtigheid richten." Hij is het die op de troon van David zit en in zijn Koninkrijk om dat te bevestigen en dal te sterken met gericht en met gerechtigheid." In één woord: „De Heere onze gerechtigheid". Amos zegt het: de hut van David zal weer opgericht worden, en hij herinnert zich de profetie die Nathan aan David verkondigde.

Nu gaat de oproep tot bekering leven, nu krijgt de belofte zekerheid en perspectief: „Zoekt Mij en leeft." Dus: zoekt niets anders dan de Koning van dat Messiaanse Rijk, niet anders dan die Held bij wie hulp is besteld. Nieuwtestamentisch mogen we zeggen: Wil dan van niets anders weten clan van Jezus Christus en Die gekruisigd; acht buiten Hem alles schade en drek. En dan.... zult gij leven, want Hij is hèt Leven.

Dat leven in de Messiaanse tijd wordt nu door Amos in oosterse kleuren geschilderd: de ploeger zal gevolgd worden door de maaier, de druiventreder door de zaaier; de bergen zullen drui

pen van most en al de heuvelen zullen smelten....

„Uio God".

De laatste woorden van Amos zijn van een aangrijpende geloofskracht: „... zegt de IIEERE, uw God"! Amos ziet dwars door de ongerechtigheid van het volkop de gerechtigheid van God zelf. Had Israël het bedorven, nochtans is in Jahwe hun hulp. IIij blijft rechtvaardig en zal zelf Zijn rechtvaardigheid gaan betonen door de Messias voor te stellen, „door het geloof in Zijn bloed" (Rom. 3!). Daar zal de Heere — „want Hij die het beloofd heeft is getrouw" — zelf voor zorgen.

„Uw God", zegt Amos! Kan dat nog? Ja, waar alles nee zegt, zegt God ja. Van Zijn kant kan het, maar dan ook alléén van Zijn kant. Dit is „de onwankelbare belijdenis der hoop" die wij vast moeten houden (Ilebr. 10). Romeinen 3 predikt dat God de Heere immers Jezus Christus niet alleen heeft voorgesteld opdat Hijzelf daardoor rechtvaardig zou zijn, maar ook opdat Hij zou rechtvaardigen „degene, die uit het geloof van Jezus is." „Uw God", predikt ook Amos! Om niet, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is. „Waar is dan de roem? IIij is uitgesloten!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1967

Daniel | 16 Pagina's

Rond en uit de Bijbel (13)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1967

Daniel | 16 Pagina's