ONS LAND ROND DE REFORMATIE
II.
DE MODERNE DEVOTIE
Zoals we de vorige keer hebben gezien heeft Geert Grote, de vader van de Moderne Devotie, drie „afdelingen" binnen deze beweging gesticht, te weten de Zusters van het Gemene Leven, de Broeders van het Gemene Leven en de Congregatie of kloosterorde van Windesheim.
Deze drie groeperingen hadden bepaalde gemeenschappelijke kenmerken. Zo is aan allen elke vorm van bedelarij verboden geweest, alsmede het verwerven van bezit.
Ook ten aanzien van het kuisheidsvoorschrift was de Moderne Devotie streng, in sommige opzichten soms rigoureus.
Was in de praktijk van het dagelijks leven het contact tussen mannen en vrouwen niet altijd geheel te vermijden, het moest dan toch zoveel mogelijk beperkt blijven. Geert Grote schuwde de vrouw op bijna beledigende wijze: hij vermeed het zoveel mogelijk voor huishoudelijke hulp van de diensten der Zusters gebruik te maken.
Zo kookte hij zijn eigen middagmaal. Zijn kookkunst beperkte zich tot erwten met een haring er in, zijn tafelservies tot een bordje, dat hij eens per week waste; voor tussentijdse reiniging zorgde de kat. Moest hij al iets van een vrouw aannemen dan ging dat door een luikje, dat zó was geconstrueerd, dat hij haar niet kon zien. Toen iemand uit zijn omgeving liet merken dat nogal overdreven te vinden was Grote's reactie: „Als ik kon zou ik ook m'n oren nog dichtstoppen om haar stem niet te horen."
OND DE RE Diezelfde soberheid constateren we ook ten aanzien van de kleding. Grote ging er prat op dat zijn jas meer dan negen jaar oud was en een tunica, onder die jas gedragen, zelfs twaalf jaar.
Toen hij na zijn dood werd afgelegd bleek het dat hij een haren hemd had gedragen, hard en vol knopen om het lichaam voortdurend te kastijden.
Streng was ook het dagprogram der Broeders Na een nacht van zeven uren was het om half vier tijd voor opstaan.
Daarna volgde het gezamenlijke bidden of zingen van de kerkelijke getijden (dat zijn gebeden op daartoe vastgestelde uren).
Vervolgens kon ieder zich naar zijn kamer begeven, een half uur lezen in de bijbel en enkele mondelinge gebeden verrichten, doch om zes uur moesten allen weer in de kapel zijn om de heilige mis te horen of op te dragen. Van zeven tot tien was het de tijd van verplicht handwerken voor allen. Ofschoon allen dus reeds lang in de weer waren, hadden ze nog altijd niets gebruikt. Om tien uur werd dan de eerste maaltijd gebruikt, gevolgd door een korte middagrust en recreatie. Van twaalf tot half zes werd het handwerk voortgezet, om drie uur onderbroken door zingen of bidden.
Om half zes gebruikten ze het avondmaal; de tijd van FORMATIE zes tot acht kon ieder naar believen besteden voor studie of voor een andere liefhebberij. Om acht uur begon de nachtelijke stilte; na enkele gebeden en het gewetensonderzoek konden de Broeders om half negen naar bed gaan.
De gewoonten van staan en zitten, van buigen en knielen bij deze getijden moesten nauwgezet onderhouden worden, zonder dat echter de verandering van houding de stilte zou mogen verbreken.
Kuchen, hoesten enz. moest onder de gebeden v/orden vermeden. Zoals gezegd ontwikkelden de Moderne Devoten naast dit alles ook grote activiteiten buiten hun stichtingen, vooral in de prediking, waarbij veelal de toorn Gods en het laatste oordeel sterk benadrukt werd. Een der Broeders, wiens woordenrijkdom spreekwoordelijk is geworden, was pater Brugman. Zijn hoorders hebben aantekeningen gemaakt van zijn preken, zodat we ons enigermate daar een voorstelling van kunnen maken. In schrille kleuren schilderde hij de hemelvreugde of de hellesmart in een terminologie, die wij vaak grof en banaal zouden vinden. Een belangrijk element in de middeleeuwse boetprediking was de dramatisering. Er wordt verhaald dat een prediker soms een kwartier lang zwijgend bleef staan, de armen uitgestrekt: zó hing Hij uren van smarten aan het kruis. Soms moest een prediker ophouden, omdat zijn gehoor in luid geween uitbarstte.
Uit deze kring der Broeders is voortgekomen een werk voor alle tijden, de
„Imitatio Christi", de Navolging van Christus. Hoewel het geschrift aanvankelijk anoniem was wordt het toegeschreven aan Thomas a Kempis, een man die zeventig jaren kloosterling is geweest in het klooster op de Agnietenberg bij Zwolle, dat tot de Congregatie van Windesheim behoorde.
Hij was iemand die vreemd stond tegenover de dagelijkse gang van het leven, wiens lust het was te lezen, te bidden en te mediteren: „O, hoe heilzaam, hoe aangenaam en zoet is het, te zitten in eenzaamheid en te zwijgen en met God te spreken."
De uitdrukking „met een boekske in een hoekske" is van hem.
Zijn „Imitatio" behoort tot de meestgelezen en meestvertaalde boeken uit de wereldliteratuur, naar men zegt staat het in dit opzicht na de bijbel op de tweede plaats. Het is een boekje van grote eenvoud, rijk aan zachte vertroosting en tedere vermaning; het wekt de mensen op in nederigheid en zelfverloochening Christus te dienen en na te volgen. Het mist echter reformatorische kracht, vandaar dat het ook in de R.K. Kerk hoog aangeschreven staat.
In dit verband moeten wij ook noemen de geleerde Wessel Gansfort, geboren in 1420 te Groningen, waar zijn stof rust in de Martinikerk. Hij heeft als leerling gewoond in het broederhuis te Zwolle; hij had omgang met Thomas a Kempis. Hij heeft gewerkt en gestudeerd in Keulen, Heidelberg en Parijs; diverse malen is hij in Rome geweest, waar hij de paus gesproken heeft. Het laatste deel van zijn leven vertoefde hij temidden van de Broeders en de kloosterlingen van de Moderne Devotie. In geheel Europa was hij bekend, geëerd als „het licht der wereld", geducht als „de meester in de tegenspraak."
Wessel oefent op verrassende wijze kritiek uit op de Kerk. Zo bestrijdt hij de leer van het vagevuur en keert zich tegen de aflaat.
Ook slaat hij het gezag van de paus niet hoog aan. Pausen en concilies kunnen dwalen en hebben zich schuldig gemaakt aan machtsmisbruik.
Zodra de kerkelijke leidslieden op onwaardige wijze hun plichten verzaken, moeten ze worden afgezet. Luther, die eens een voorrede geschreven heeft voor een verzameling van brieven van Wessel, die in 1522 te Zwolle werd gedrukt, schrijft daarin dan ook: „Wanneer ik Wessel tevoren gelezen had, dan zouden mijn wederpartijders denken, dat ik alles aan Wessel had ontleend, zo stemmen onze beide geesten overeen".
Hierin overdrijft Luther: Wessel is géén voorloper van Luther. Het centrale evangelie bij Luther: de rechtvaardiging uit het geloof zonder de werken der wet, is door hem niet begrepen. Dit geldt ook voor de andere Broeders.
Wanneer we dan ook de balans moeten opmaken betreffende de Moderne Devoten, lijkt het ons niet helemaal juist deze mensen voor lopers van de Hervorming te noemen. Wel treft men in godsdienstige geschriften van Moderne Devoten en hervormers vaak een frappante overeenstemming aan.
Waar is, dat de R.K. Kerk Geert Grote het prediken verbood en ook overigens stond de Moderne Devotie bij de Kerk dikwijls in een reuk van ketterij. Hiertegen kunnen we echter aanvoeren dat Thomas a Kempis over Geert Grote schrijft: „hij heeft in onze dagen onderwijs gegeven
volgens de regel van het rechtzinnige (r.k.) geloof." Elders schrijft Geert Grote zelf: „ altijd behoudens het oordeel van de hoogheilige Roomse kerk, waaraan ik mij zeer nederig altijd en overal onderwerp." Grote's bijnaam was „ketterhamer".
De Nijmeegse hoogleraar Van Ginneken, een jezuïet, heeft zelfs voorgesteld bij Arnhem (waar Geert Grote tot bekering kwam) een grote basiliek te bouwen, gesierd met een groot gouden kruis, om Geert Grote en zijn beweging voor heel de wereld te eren.
Het concilie van Constanz en diverse pausen hebben de Moderne Devotie krachtig bevorderd. Wat de „protestantse inslag" van hun geschriften betreft: geen enkele specifiek r.k. leerstelling wordt er in geloochend (de werken van Wessel uitgezonderd).
Het vierde boek van de Imitatio Christi is één vurige verering van de mis, het leerstuk waartegen de protestant onoverkomenlijke bezwaren heeft.
Wel mogen we de Moderne Devoten zien als voorbereiders van de Reformatie. We zullen dit met enkele voorbeelden duidelijk maken. Ze hebben zich niet verzet tegen de Maria-verering, maar Geert Grote noemt als schrijver de zo zeer vereerde Maria weinig en in het algemeen zien de Moderne Devoten Maria en de heiligen meer als voorbeelden der imitatio dan als voor bidders. Ook de bedevaarten hebben bij hen minder aandacht dan toen gebruikelijk was.
Verder spreken ze voor het volk in de landstaal, waar de mensen meer aan hebben dan aan de liturgische kerkdiensten in het latijn. Zeer scherp is vaak hun kritiek op de geestelijkheid.
Kortom: de Moderne Devoten hebben een voortdurende reformatie binnen de Kerk nagestreefd. Die betrof dan niet, zoals bij Luther, de leer der Kerk, maar veel meer het leven, dat naar hun mening vromer, eenvoudiger en nederiger moest worden. In dit streven toont de beweging een facet, dat we ook bij de Reformatie aantreffen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1967
Daniel | 16 Pagina's