Veranderend gezin
De vraag: „Is het gezin nog te redden? " roept een andere vraag op: „Wordt het gezin dan bedreigd? "
Het tegendeel schijnt immers waar te zijn; de ene woonwijk na de andere verrijst rond grote en kleine steden; aan onze dorpen wordt straat na straat toegevoegd. Altemaal keurige woningen voor jonge gezinnen.
Toch, we zijn met grote zorg over de toekomst van onze gezinnen vervuld.
De oorsprong en het fundament van het gezin ligt in het huwelijk. Het huwelijk is een instelling Gods; het gezin, de éénwording van man en vrouw en de daaruit stammende kinderen, is eveneens een ordonnantie des Heeren.
De wederzijdse ouder-en kinderliefde is een (weliswaar zwakke) afspiegeling van de liefde van God, de Vader, Die de Zijnen eerst lief heeft gehad en in Zijn uitverkorenen de liefde tot Zichzelf ontsteekt.
En ook dit is waar: de verhouding van de ouders tot hun kinderen, die tot uitdrukking komt in de eerbiediging van het ouderlijk gezag enerzijds en het vertrouwen in de ouders anderzijds, is eveneens een zwakke weergave van de relatie van de Heere tot Zijn volk.
De liefde van de ouders tot hun kinderen en van de kinderen tot hun ouders legt beslag op het gezinsleven. Deze liefde draagt de gezaghebbende en vertrouwenwekkende leiding, die de ouders aan hun kinderen geven in gebondenheid aan Gods heilige Wet.
Dit gezin nu heeft sinds het einde van de 18de eeuw aan ontstellende veranderingen bloot gestaan. Allerlei eeuwenoude instellingen bezweken: gilden, standen, het kleine, meest agrarische handwerk, ze moesten wijken, toen alom de leuze der Franse Revolutie van 1789 („Vrijheid, gelijkheid en broederschap") veld ging winnen. De losgebroken macht van „de vrije mens" met zijn machines, zijn vrije handel, zijn verlichte ideeën op alle terreinen van het leven, ze zorgden er voor, dat de eeuw van het besloten huis en hof, van het boerderijtje, van het handwerk werden overwoekerd door het grote bedrijfsleven, cle grote ondernemingen, de fabriekshal, enzovoorts.
Op een wijze, die we ons nu nauwelijks
meer kunnen voorstellen, greep deze ontwikkeling van de techniek in in de door God gewilde gezinsinstelling, in haar schone taak en in de opdracht, die de Heere het gezin (in Zijn Woord) gaf. De geheel enige beslotenheid van het hele gezin, dat steeds bijeen was in de woning, in gemeenschappelijke arbeid, in het godsdienstig-kerkelijk leven en dus in de totale gesloten opvoedende gezinssfeer, viel weg. De vader moest naar de fabriek, naar het kantoor. Zijn arbeid werd betaald naar prestatie en wat hij presteren kon, hing samen met vraag en aanbod op de markt, waar het fabrikaat werd verhandeld.
De mogelijkheid, dat het gezin in financiële moeilijkheden komt, kan dan zo urgent worden, dat moeder en kinderen zoveel mogelijk genoodzaakt worden mede te gaan verdienen; maar dan buitenshuis.
Zo wordt de schone opvoedende taak, die de Heere de ouders ten aanzien van hun kinderen heeft opgelegd, in hoge mate bedreigd; ze wordt misschien zelfs wel lam gelegd.
Denkt U eens aan de positie van de vader in het gezin. Hij heeft het gezin te leiden en zijn kinderen op te voeden in de lering en vermaning des Heeren (Ef. 6 : 4). Maar... hij is afwezig, de hele dag, soms dagen aaneen. Zo sterft de patriarchale huishouding, waarin de vader de leiding heeft in het gezin, af.
Wanneer dan de moeder zijn plaats kan innemen en haar kinderen kan helpen en leiden, is dat nog een zegen. Maar wat komt er van het gezin terecht, wanneer ook zij, zoals steeds meer voorkomt, mede de kost moet gaan verdienen buitenshuis? Wat blijft er dan over van de toevlucht, de gezelligheid, de liefde, die het kind zo zeer nodig heeft? Is het dan zo verbazingwekkend, dat kinderen en jongemensen in horden, leeglopend en zwervend als nozems, langs de weg trekken en hier en daar verveeld rond hangen?
Een gevaar, dat zeer zeker niet minder groot is, is de ontvolking van het platteland en de verstedelijking van onze gezinnen.
In dit geval valt het eigene (een eigen huisje met tuin, de familiekring, de vriendenkring, de buurtverwantschap, het traditionele kerkelijke leven) weg en gaat de staat, het bedrijfsleven, de industrie, de handel, de gang van zaken het gezin regelen. Laten we niet vergeten, dat we hier te doen hebben met anonieme machten, die geen verantwoording kunnen, mogen en willen dragen voor ons gezin. Dan kunnen we wel zeggen: „Andere heren dan de daartoe aangewezen ouders regeren onze kinderen."
Een en ander doet het „moderne" gezin opkomen, dat veel van zijn geborgenheid, stabiliteit en aantrekkelijkheid heeft verloren; clat nauwelijks meer enige verwantschap van ouders en kinderen met verdere familie kent en een speelbal wordt van staat en maatschappij, van de reclame, die op het begeren van de mens speculeert en de op-en neergaande conjunctuur in handel en industrie. Het zijn altemaal anonieme machten van het grote technische apparaat, die de roeping der ouders tegenover hun kinderen verlammen en een verslapping in de hand werken, die uit moet lopen op het vervagen van alle maatstaven en levensbeginselen, ons in Gods Woord geopenbaard.
Het is wel buitengewoon huiveringwekkend, wanneer het gezin wordt vergeleken met een garage, waarin men z'n auto voor de nacht wegzet en met een benzinestation, waar getankt wordt om weer verder te kunnen gaan, ieder zijns weegs. Is het gezin nog te redden? vroegen we ons af.
Die vraag moge ons wel ten zeerste ter harte gaan!
We zullen dan allereerst terug moeten gaan naar Gods Woord, waarin het gezin een deel is van Gods heerlijke schepping. In Gen. 1 en 2 zien we de man als pronkjuweel van Gods schepping. Hij ontvangt van de Heere zijn vrouw als zijn partner, als de volledigmaking van zijn leven in de dienst des Heeren. De eenheid van man en vrouw brengt de Goddelijke instelling van het huwelijk, het geheel van het menszijn tot stand.
En beiden, man en vrouw, staan als eenheid onder het gebod, vruchtbaar te zijn en te vermenigvuldigen. Uit de echtelijke liefde spruiten kinderen voort, worden man en vrouw ouders.
In het gezin van vader, moeder en kinderen vinden allen, kleinen en groten, hun geluk, hun rijkdom, rust, vrede; daarin gebiedt de Heere Zijn zegen, omdat daar de liefde woont.
In dat gezin wordt het kind opgevoed in de lering en vermaning des Heeren, wat méér is dan uiterlijke verzorging en waarin materiële comfort en luxe zelfs gevaarlijk kunnen zijn. Het gaat er in de eerste plaats om, dat er van vader en moeder iets uitstraalt; iets van de Vader („Onze Vader, Die in de hemelen zijt"); iets van de Moeder („Als die zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten".)
Luther leert in zijn kleine Catechismus de
kinderen: „Wij moeten de Heere vrezen en liefhebben door onze ouders en die over ons gesteld zijn niet te verachten en te vertoornen, maar hen in ere te houden, hen te dienen, te gehoorzamen, hen lief te hebben en hoog te achten."
Het gezin, de plaats waar liefde woont, waar lief en leed te zamen gedragen wordt, dient te zijn een bijzondere, zij het bescheiden, origineel van de gemeente des Heeren: een huisgemeente.
Is het gezin nog te redden?
Zonder twijfel zal de bekering van vaders en moeders tot God noodzakelijk zijn, een opnieuw zich toekeren tot des Heeren Woord. Dat zal de nieuwe beleving van het vader-en moederambt meebrengen. En in dat ambt gaat het in de eerste plaats om het waarnemen en beoefenen van de door de Heere verleende autoriteit. De ouders zijn de „stedehouders" van de Heere in het gezin.
Luther schrijft in zijn boek „Van clc goede werken": „We spreken hier over de stand van de vader en de moeder. Zien we ze aan en bemerken we, dat vader en moeder, net als wij, óók een neus, ogen, huid en haren hebben en meer niet, dan zijn we de heidenen en de Turken gelijk. Dan kan iemand met het volste recht zeggen: „Waarom zullen we hen meer achten dan anderen? " Maar omdat het gebod des Heeren er bij komt: „Eer uw vader en uw moeder", zie ik een andere man, bekleed en versierd met de majesteit en heerlijkheid Gods. Dat gebod, zeg ik, is de gouden keten, die hij om de hals draagt, ja, de kroon op zijn hoofd."
Op het behoud van deze gouden kroon komt het dus aan, wil het gezin gered worden in deze zo hoogst gevaarlijke tijd. Dat moet geen theorie zijn, maar in de waarheid als werkelijkheid opnieuw met kracht worden beleefd.
Dit vraagt van de ouders: neemt de tijd er voor, de draagwijdte van uw ambt te verstaan en u, door te buigen voor Gods Woord, toe te rusten tot het volbrengen er van.
Tracht dit ambt waar te maken door er de tijd voor te nemen.
Wat een voorbereiding, soms van vele jaren, getroost men zich om later een bepaald ambt te kunnen bekleden!
Ach, wat maken wij bitter, bitter weinig ernst met het ambt, dat, als het over verantwoording gaat, zó zwaar en tevens zó hoogst belangrijk is.
Juist in deze tijd vraagt het beoefenen van het vader-en moederambt grondige, zorgvuldige, steeds weer herhaalde voorbereiding en toerusting.
De taak van de kerk, van de hogere scholen is hier enorm groot: bijstand verlenen aan het gezin, waar immer mogelijk. Zonder vlijt — geen prijs; zonder zaad — geen oogst. Ouders, de wegbereiders en de wegbegeleiders van hun kinderen!
Ouders, geeft dan uw tijd en uw krachten onder biddend opzien tot God, op uw vrije avonden, op uw vrije zaterdagen, op de sabbatdagen, aan uw gezin. Spreekt met uw kinderen, speelt en wandelt met hen als het daarvoor de tijd is; helpt ze met hun liefhebberijen; spreekt bovenal met ze over cle dingen van Gods Koninkrijk. De machten, die het gemunt hebben op de verwoesting van het gezin, zijn ontzaglijk; de hang naar sensatie, sentimentaliteit en sex is bijna onhoudbaar. Weest op uw hoede!
Jongemensen, beseft, hoe zwaar uw ouders het hebben.
Ze hebben uw hulp nodig. U moet uzélf toerusten tot het vervullen van een zo verantwoordelijk ambt, dat u toch straks zelf zult mogen gaan bekleden, indien cle Heere het wil.
Het gezin is, zeker in deze tijd, geen zelfstandige grootheid.
Het heeft daarom de hulp nodig van allen en van ieder, die helpen kan.
Van de school, van de kerk, van de jeugdverenigingen, van een overheid, die rekent met Gods ordonnantiën.
Is het gezin nog te redden?
Een vraag van levensgroot belang.
Daarom: ziet de gevaren, die het gezin bedreigen, onder ogen; bestrijdt ze samen met de kracht, die de Heere schenkt aan wie naar en uit Gods Woord heeft leren leven.
Daarom: denkt en spreekt er als jongemensen over, wat er gedaan kan worden om het eigen gezin, waartoe u behoort en dat van anderen met Gods hulp te behoeden van de ondergang.
Houdt de autoriteit van uw ouders en van die van de ouders van uw vrienden en vriendinnen hoog.
Staat er naar zélf toegerust te worden met wat nodig is om straks zelf het zo zeer belangrijke en verantwoordelijke vader-of moederambt in deze tijd te kunnen bekleden.
De Heere redde in deze ernstige tijden ons gezin!
P. Ivuijt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1967
Daniel | 16 Pagina's