Veranderende jeugd
We leven in onze Gereformeerde Gemeenten niet op een eiland. Dit geldt niet alleen de ouderen, maar in het bijzonder ook onze jeugd. Met dit nietop-een-eiland-leven bedoelen we dat allerlei veranderingen, die om ons heen optreden, het gedrag van de ouderen beïnvloeden en waarschijnlijk zelfs in sterkere mate dat van de jongeren.
Nu vinden in de wereld, waarin wij leven, veranderingen plaats die geleidelijk gaan, die ons niet opvallen. Maar hoe het ook zij, deze meer of minder duidelijk zichtbare veranderingen oefenen hun invloed op ons — oud en jong — uit. Hierbij dient te worden opgemerkt dat onze jeugd ontvankelijker is voor allerlei wijzigingen clan de ouderen. Immers, onze jongelui verkeren nog volop in de periode van vorming, ontwikkeling en ontplooiing zodat de voorbeelden en invloeden uit hun omgeving nog diepe en vaak blijvende sporen kunnen trekken. Daarbij is het nodig dat we ons om te beginnen twee dingen goed realiseren. Allereerst het feit dat onze jongelui niet bij machte zijn in het leven van de nederlandse jeugd de toon aan te geven. Daarvoor vormen zij een veel te kleine groep. De leden van onze gemeenten maken slechts een half procent van de nederland.se bevolking uit:60.000 op 12.000.C00. Hoewel we „onze" jeugd niet tot de Gereformeerde Gemeenten willen beperken (er zijn kerkgenootschappen waarmee we ons nauw verbonden voelen), is het toch een zeer kleine groep in het geheel: en stipje op de bevolkingskaart van nederland. En het tweede aspect, dat ook onze aandacht verdient, is de samenleving waarin we deze jeugd moeten plaatsen. Zij groeit op in een in toenemende mate ontkerstenende wereld. Een wereld waarin allerlei veranderingen het gevaar in zich hebben antichristelijke tendenzen te zijn.
Voor de optredende veranderingen kunnen wij onszelf en onze jeugd niet afsluiten. Door de openheid van onze samenleving kunnen we er niet aan ontkomen: alles wat er in de wereld gebeurt en wat er in het denken van de mensen verandert bereikt ook ons door de moderne communicatiemiddelen, zoals krant, diverse tijdschriften, radio, moderne onderwijsmethoden. Het wereldse denken en doen heeft zo een geweldige invalspoort in onze gezinnen en overal elders, waar de jeugd haar opvoeding en vorming geniet. Dit laatste is immers ook zeer belangrijk. Vergeleken bij vroeger vindt de opvoeding veel meer buiten het gezin plaats dan daarbinnen. Neem b.v. de school, waar het kind en de opgroeiende puber een groot deel van zijn ontwikkelingsperiode verblijft. En verder de fabriek, het kantoor of de zaak, waar de jongen en het meisje hun verdere opleiding ontvangen.
Ons kleine aantal, de aard van onze samenleving en de grote invalspoort, waardoor die samenleving ons opneemt, geeft aan de voorkomende veranderingen iets onafwendbaars, iets dreigends. We kunnen ze niet ontvluchten. Daarom is het nodig ons af te vragen tegen welke veranderingen we ons moeten verzetten. Sommigen zijn gauw geneigd te denken dat elke verandering achteruitgang betekent. Anderen zien in iedere verandering een vooruitgang. Bezinning is noodzakelijk. Tegen veranderingen van wezenlijk belang zullen we ons tot het uiterste moeten verzetten, zullen we alle krachten moeten mobiliseren en de rode vlag hijsen. Hiervoor dient jong en oud waakzaam gemaakt. Veranderingen van bijkomstige betekenis zullen we moeten accepteren. Hierop mogen we ons kruit nooit verschieten. Hier schaadt alleen verzet. Het is echter wel moeilijk onderscheid te maken, antwoord te geven op de vraag wat wezenlijk en wat bijkomstig is. Temeer moeilijk, omdat wij sterker traditie-gebonden zijn dan we vaak beseffen. Plicht blijft echter steeds weer voor onszelf tot klaarheid te komen. Van beide een voorbeeld. Een onschuldige verandering in b.v. een bepaald aspect in de verhouding ouders - kinderen. Vroeger spraken de ouders tot hun kinderen, het bekende bevelen. Nu spreken veel ouders met hun kinderen, hetgeen meer de vorm van overleggen heeft. Wanneer we deze verandering oppervlakkig bezien komt waarschijnlijk de gedachte bij ons op dat de ouders op deze manier aan gezag inboeten. Dit behoeft allerminst waar te zijn. Hoe ouder het kind wordt hoe meer het ook wil begrijpen waarom iets van hem verlangd wordt. En door dat
begrip krijgt zijn gedrag ook pas werkelijke inhoud. Dit is een voorbeeld van een verandering ten goede. Een verandering ten kwade daarentegen is het verlies van normbesef, het niet meer een helder onderscheid maken tussen goed en kwaad, de Bijbel niet meer laten spreken.
Wat zijn nu de negatieve veranderingen die onze jeugd bedreigen? In het artikel over de moderne mens hebben we gezien dat de mens van nu een afnemend normbesef heeft, d.w.z. dat de christelijke normen steeds minder gelden en de mens in plaats daarvan zelf bepaalt wat goed en kwaad is. Als voorbeeld nemen we het gezag. Het gezagsprincipe lijdt steeds meer schipbreuk. De jeugd leert niet meer haar ouders te zien als de dragers van het gezag, dat God hen gegeven heeft. Maar ze wil hun gezag alleen erkennen, wanneer zij het volgens haar inzicht redelijk vindt. Anders gaat ze haar eigen gang. De jeugd erkent vaak niet meer het gezagsrecht, dat de ouders van de Heere gekregen hebben. Anderzijds zien ook de gezagsdragers — de ouders — zelf in veel gevallen niet meer dat ze een heilige opdracht van God ontvangen hebben, waardoor ze hun taak minder serieus opvatten en slap worden. Ze laten hun gezag niet meer of in veel mindere mate gelden. Hier is van een wederzijdse beïnvloeding sprake. De jeugd kan het gezag niet erkennen als het door de ouderen niet geoefend wordt en de ouderen kunnen het niet uitoefenen als het door de jeugd niet erkend wordt. Er ligt daarom evenveel schuld bij de gezagsdragers als bij de jongeren die het gezag moeten erkennen. Als onze jeugd in dit opzicht verandert, dan is ze daarvan zelf zowel oorzaak als slachtoffer.
Een ander voorbeeld van afnemend normbesef is het huwelijk, dat vandaag als een tijdelijke en niet meer als een goddelijke instelling wordt beschouwd. Gevolgen daarvan zijn dat het huwelijk niet meer als een onverbreekbare verbintenis wordt gezien, dat de keuze van levenspartner minder ernstig wordt opgevat. Begrippen als trouw, liefde, offer, eerbied en heiligheid verdwijnen daardoor steeds meer.
Naast het afnemend normbesef halen we nog uit het eerste artikel naar voren de invloed van de techniek. In onze technische wereld voelt de mens zich door zijn vele uitvindingen zó machtig dat hij zijn afhankelijkheid in veel mindere mate ervaart. En dit geldt ons allen. We leven in een wereld, waarin technisch bijna niets meer onmogelijk is, waardoor er in de grond geen plaats meer is voor het wonder. De in zijn eigen ogen onafhankelijke mens leeft in een volkomen georganiseerde wereld. Overal is een oplossing voor.
Hiermee hangt nauw samen het afnemend verantwoordelijkheidsgevoel. Alles wordt gedaan voor de mens en hij is verzekerd van de wieg tot het graf, waarna niets meer volgt. Daardoor ook heeft het materialisme zo'n grote greep op hem. Hij leeft voer zichzelf en voor zijn eigen plezier. Het egoïsme viert hoogtij, waarbij het begrip liefde niet meer gekend wordt. Hij leeft hier en nu. Het gaat om het aardse, waardoor geen plaats meer is voor geestelijk leven. Hij wordt bezig gehouden en kan niet meer zelf tot iets komen, d.w.z. hij is niet meer productief, maar bezig. consumptief
Zonder naar volledigheid te streven vragen we ons af hoe deze invloeden op onze jeugd uitwerken. We hebben gezien hoe het moderne denken een negatieve invloed heeft door het afnemend normbesef (als voorbeelden noemden we gezag en huwelijk). Dit houdt geen halt voor onze deur. Ook bij ons is de afbraak van het gezag zichtbaar als invloed van de tijdgeest. Hiervoor moeten we elkaar waarschuwen en waakzaam zijn. Gezag en huwelij ksverhouding hebben aandacht nodig in het jeugdwerk. We kunnen alleen niet zeggen dat het moderne denken onze jeugd slechts nadelig beinvloedt. We zien ook een positieve kant. Er is onder de jeugd in het algemeen en ook onder de onze een toenemende behoefte aan eerlijkheid. Men laat zich niet meer paaien met schcon-klinkende woorden. Woorden die niet met hun werkelijke inhoud in overeenstemming zijn. Nauw verbonden met dit verschijnsel is het verlangen naar concreetheid. De jeugd denkt minder in woorden als wel in daden. Als het om het christelijk leven gaat, dan rijst er bij onze jeugd een vraagteken als dit christelijk leven schijnt op te gaan in de binnenkamer. De jongeren van vandaag zien er naar uit, spreken er over dat dit christelijk leven met-ter-daad zichtbaar wordt. Ons inziens een verlangen dat voluit bijbels is. Met een afwijken van het directe voorgeslacht zien we hierin ook een toewenden naar de vaderen van de 17e en 18e eeuw: niet alleen de leer, maar ook het leven! Deze veranderingen herkennen we ook in de keuze van onderwerpen voor de
verenigingsavonden, districtsmiddagen enz. Minder de geloofsleer, meer de concrete vragen van elke dag. Opgemerkt wordt dat hierin terecht ook weer voor het gevaar van eenzijdigheid gewaarschuwd dient te worden.
Jeugdige ogen zien ook vaak scherp. Dikwijls ontdekken zij in hun radicaal denken ongerijmdheden in het leven van ouderen en kerk. Gevreesd moet worden dat de ouderen al te vaak de bereidheid missen in deze spiegel zichzelf te herkennen. Wij denken hier aan een zondagsviering, die wel ae rust van het middagslaapje verdedigt, maar het stapje buiten de deur veroordeelt.
Op een ander punt willen we hier nog wijzen. Gedeeltelijk in tegenstelling met het bovenstaande is de grote plaats die aan het gevoel wordt toegekend in het godsdienstig leven van vandaag: het gevoelschristendom, waartegen in een der voorgaande artikelen is gewaarschuwd. In alle kerken wint de Pinksterbeweging aan invloed. Zonder in een generaliserend oordeel over de Pinkstergemeenten als zodanig te vervallen en zonder de reactie op een sterk dogmatische vooroorlogse periode recht van spreken te ontzeggen, kan gesteld dat waakzaamheid voor en bij onze jeugd op dit punt geboden is. Hartverwarmend zijn de aktiviteiten waartoe een deel van de jeugd in onze gemeenten komt. Reactie op een achterliggende periode, waarin onze jeugd niet de ruimte had om tot eigen groepsaktiviteiten te komen, kan hier niet ontkend worden: d.e jeugd heeft een andere plaats in het leven binnen onze gemeenten gekregen. Zij is er en ze stelt haar daden. Hoe hartverwarmend ook, toch komt het vooral hier ook aan op een goede leiding, een juiste instelling. Levensgroot is het gevaar van een wat sentimenteel aktivisme, dat christenen kweekt zonder diepgang van het geloofsleven, dat tot alles verplicht en zonder de dadelijke genade van Christus in eigen kracht tot geen goed in staat is.
Naar aanleiding van het voorgaande zal het duidelijk zijn dat het geen open vraag is of de kerk een taak heeft t.a.v. het jeugdwerk. Afgezien van enkele geïsoleerde streken (indien deze nog bestaan) leeft de jeugd in een wereld die diepingrijpende veranderingen beleeft en ondergaat. In prediking en pastorale zorg wordt over het leven van de gemeente, van de gehele kudde, gewaakt. Hopelijk met destemeer „naarstigheid" naarmate de tijden beter worden. Het zwakke schaap in de kudde is onze jeugd. Ook dwaalziek, ook blind, ook met een hang naar de wereld die in het boze ligt. Treffend is het beeld dat de profeet Jesaja tekent van de Goede Herder. Hij zal het lammetje in Zijn schoot nemen. Deze tedere en vertederende zorg, die Christus aan Zijn kudde besteedt, moge onze gemeenten voortdurend tot een inspirerend voorbeeld zijn om de meeste zorg, het grootste geduld en onuitputtelijke liefde te besteden aan dat deel der kudde dat jong en vaak argeloos het zwakke schaap vormt.
Onze jeugd verandert en wij met hen. Niemand kan loskomen van de tijd waarin hij leeft. Ouderen en jongeren leven in deze tijd. Kerk, gezin en jeugd verkeren in een wereld vol veranderingen. Geve de Heere dat wij hierin staande mogen blijven bij het onveranderlijke Woord van God.
G. van Malkenhorst S. T. van Malkenhorst-Visser
Rotterdam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1967
Daniel | 16 Pagina's