JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Rond en uit de Bijbel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rond en uit de Bijbel

6 minuten leestijd

Rond en uit d Israël antwoordt met ongerechtigheid.

1). De ontaarde cultus.

Hoewel Amos veel minder spreekt over de cultus (eredienst bestaande offeren, vasten, bidden enz.) dan Hosea — het gaat Amos immers meer om de zedelijke en maatschappelijke verhoudingen, om de gerechtigheid — verliest hij de cultus toch niet geheel uit het oog. We zagen dat hij vooral toornt tegen het feit dat de cultus niet strookt met de practijk van het leven. Maar niet alleen daarom deugt deze cultus niet. Niet slechts is de wortel verkeerd, ook de cultus op zich — afgezien van het hart en leven erachter — draagt een zondig karakter. In 4 : 4 noemt Amos het offeren te Bethel en Gilgal letterlijk „zondigen". Waarom, moge ons duidelijk zijn; in het begin van de bespreking van Amos hebben we daar wat uitvoeriger bij stilgestaan toen we schreven over de „godsdienst" van de kalverendienst. In naam schijnt het nog wel aan Jahwe gewijd te zijn (5 : 22: Ofschoon gij Mij offert"!), in werkelijkheid kwam het neer op de verering e Bijhei cm van andere goden. Zo zegt 8 : 14: Die zeggen: o waarachtig als de god van Dan leeft...."

2.) Het zondige lueeldelevcn.

Vooral de hogere klasen treft Amos', nee, Gods toorn. Zij zijn het die weldadig op hun bed zitten en „op de sponde van de koets (= rustbed)", die luxueus ingerichte winter-en zomerhuizen bewonen (hfdst. 3). De rijke vrouwen worden vooral aan de kaak gesteld: ij eten gemeste kalveren, drinken wijn en zijn met dure olie gezalfd. Kortom, ze eten, drinken en zijn vrolijk, maar „bekommeren zich niet om de verbreking van Jozef" (6 : 4—6). Ongetwijfeld geselt Amos deze overdaad op zich al, maar zijn verwijt treft toch wel het diepst de zorgeloosheid die zich in deze losbandigheid manifesteert: ij bekommeren zich niet om de ineenstorting van het Rijk der tien stammen (hier Jozef genoemd). Terwijl toch dat Rijk met rasse schreden zijn ondergang tegemoet gaat. Amos zegt deze „genisten te Sion" het wee aan en kondigt het gericht aan over deze zelfgenoeg-

zame zwelgers die pochen: Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen (= macht) verkregen? " (6 : 13).

3) De eigenlijke ongerechtigheid.

Heel deze luxe vormt een schrille tegenstelling met de armoe van „de gewone man", ja, houdt daar zelfs verband mee. Die rijkaards hebben zich n.1. op onrechtmatige wijze meester gemaakt van hun bezittingen, door de armen te verdrukken, heffing op koren te nemen van de armen en de nooddruftigen te verstoten in de poort. Gods gerechtigheid, zagen we, verwerkelijkt zich in hulp aan armen en verdrukten. Het volk maakt zich schuldig door precies het tegenovergestelde te doen. Iïfdst. 2 : 6 begint onmiddellijk om op deze ongerechtigheid te wijzen: e schuldeisers verkopen de rechtvaardige om geld en de nooddruftige om een paar schoenen (dus: laven!), de armen en zaclrtmoedigen worden onderdrukt en onrechtvaardig bejegend, slavinnen worden door vader en zoon misbruikt, enz. Vooral de korenhandelaars zijn tuk op winstbejag: e sabbath duurt hun te lang, want dan kunnen ze de hele dag niets verdienen; ze gebruiken valse maten en gewichten....

Het is opvallend hoe veel aandacht het O.T. aan de „armen" en „nooddruftigen" besteedt. Hier hebben we weer met woorden (en mensen) te doen, die in de Bijbel, een bijzondere betekenis hebben. In de Wet worden deze mensen in bescherming genomen. Men moest hen het zelfde recht doen wedervaren als de hogere „standen" (Ex. 33 : 6). Zo waakte de Wet voor bevoorrechting van bepaalde klassen. Amos constateert nu hoezeer Israël de goddelijke Wet heeft verlaten en dat het niet meer schijnt te weten van Gods gerechtigheid die het immers opneemt voor de armen.

In de Psalmen hebben de woorden „arme" en „rechtvaardige" ongeveer dezelfde betekenis. Want de rijken verheffen zich, maar de armen schuilen bij God (Ps. 10 : 34). Zo zien we dat die woorden een godsdienstige betekenis hadden gekregen, een religieuze gevoelswaarde. Het ging niet slechts over mensen die letterlijk arm waren en weinig bezit hadden, maar over men-arm van geest sen die ook waren en al hun verwachting op de Heere stelden. ooimoedigen, Dat zijn de waarvan we lezen. Hun moed was tot een ootje gedaald (een oot betekent: en nul, een niets). Dus geen mensen die jammeren over hun armoe en steen en been klagen, en tegelijk al hun waardigheid be-omdat houden ze toch wel zo ootmoedig en arm zijn (clan wordt de armoe je rijkdom!), maar mensen die niets meer over hebben gehouden clan een schreeuw om genade-van-God-vandaan. Deze mensen gelden in het bijzonder Gods toezeggingen van zijn gerechtigheid: Want Hij zal de nooddraftigen redden" (Ps. 72). Voor hen geldt het: Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij" (Ps. 40). Maar het Israël van Amos' dagen dacht aan hen niet.. .. En wie het nog waagde om het in de poort (de plaats van de rechtsprocedures) voor deze nooddruftigen op te nemen, maakte zich gehaat. Terwijl zij van de rijke zoengeld aannamen als omkopings-geschenk, werden de armen weggejaagd (5 : 12). Kortom: Gij hebt het recht in gal veranderd, en de vrucht der gerechtigheid in alsem" (6 : 12).

4) Uitverkiezing is geen uitverkorenheid.

Als Israël meent clat het feit dat God het heeft verkoren tot zijn volk uit alle geslachten der aarde, betekent dat het daarom op zichzelf gered zal worden, vergist het zich. Integendeel, zegt 3 : 2. „. . . . daarom zal Ik uw ongerechtigheden over u bezoeken". Juist de uitverkiezing tot de bevoorrechte positie om Gods volk te zijn, brengt verantwoordelijkheid met zich mee, het betekent op-

dracht en taak. „Zijt heilig, want Ik ben heilig." Niet de uitleiding uit Egypte als zodanig geeft enige garantie, want „heb Ik niet (ook) de Filistijnen uit Kaftor en Aram uit Kir opgevoerd? " (9 : 7). Jahwe is niet een soort van heidense volksgod die als een „tover-god" altijd het volk in bescherming neemt en er niet op Iet hoe het volk zich gedraagt. Nee, de band tussen de Iieere en zijn volk is een band des verbonds, en dat brengt verplichtingen met zich mee, dat eist gerechtigheid en heiligheid. Zo dat niet gevonden wordt, zo het geloofsvertrouwen dood is omdat het geen „goede werken" voortbrengt, zal het volk des te zwaarder gestraft worden. Alle zelfgenoegzaamheid en alle zelfverheffing die het uitverkorenzijn als een soort waardigheid gaat misbruiken, wordt door Amos als ijdel weggevaagd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1967

Daniel | 16 Pagina's

Rond en uit de Bijbel

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1967

Daniel | 16 Pagina's