JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Het kenmerkende van het reformatorisch getuigenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het kenmerkende van het reformatorisch getuigenis

4 minuten leestijd

(2)

reformatoris Laat ons maar eens een ogenblik luisteren naar Calvijn en Luther. Calvijn handelt b.v. als volgt over het geloof:

Hierom gaat het voornamelijk in het geloof, dat wij niet menen, dat de beloften der barmhartigheid, die de Iieere biedt, slechts buiten ons waar zijn, maar in ons niet, maar dat wij ze veeleer binnen ons aanvaarden en tot de onze maken. Eerst hieruit ontstaat clat vertrouwen, dat dezelfde apostel elders vrede noemt (Rom. 5 vs. 1): tenzij iemand liever het zo wil uitleggen, dat daaruit de vrede ontstaat. En dit vertrouwen is een gerustheid, die het geweten voor Gods oordeel kalmeert en opgewekt maakt, zonder welke het door een onrustige angst gekweld en ch getuigenis } bijna verscheurd moet worden, tenzij het wellicht God en zichzelf vergetend, voor een ogenblik insluimert. Inderdaad voor een ogenblik: immers niet lang geniet het van die ellendige vergetelheid, maar het wordt door de herinnering aan het Goddelijk oordeel, die herhaaldelijk terugkomt, zeer heftig gepijnigd. Kortom, waarlijk gelovig is slechts hij, die met een vaste overtuiging ervan overtuigd is, dat God hem een genadig en goedgunstig Vader is, en die van Gods goedertierenheid zichzelf alles belooft, die, op de beloften van Gods goedgunstigheid jegens hem vertrouwend, een ontwijfelbare verwachting der zaligheid heeft; .... (Inst. III, hfdst. II, 16).

In het vervolg behandelt hij de tegenwerping, dat de gelovigen toch zo vaak door ongerustheid worden gekweld. Hij laat dan zien, clat de gelovigen toch nimmer geheel afvallen en afwijken van dat vertrouwen, dat ze aangaande Gods barmhartigheid hebben opgevat. „De gelovigen daarentegen, die door de last der beproevingen gebogen en bijna terneergedrukt worden, richten zich, zij het niet zonder last en moeite, weer op. En omdat ze zich hun eigen zwakheid bewust zijn, bidden zij met de profeet: „Ruk het woord der waarheid niet van mijn mond al te zeer" (Ps. 119 vs. 43). Door die woorden worden wij onderwezen, clat ze somtijds verstommen, alsof hun geloof ternedergcworpen was: dat ze echter niet bezwijken of terugwijken, maar hun strijd voortzetten, en hun traagheid door bidden scherpen, opdat ze althans niet door toegefelijkheid jegens zichzelf ongevoelig zouden worden.... Al worden wij door het drijven van de ongelovigheid op en neer geslingerd, verzinken wij daarom nog niet in haar afgrond. En ook al worden

wij geschokt, worden wij daarom nog niet van onze plaats gestoten. Immers van die strijd is dit altijd het einde, dat het geloof zich aan die moeilijkheden, waardoor het omgeven wordt en zo in gevaar schijnt te verkeren, tenslotte ontworstelt".

Nu zo maar een willekeurig stukje uit Luther's verklaring van de Galatenbrief: Daarom moeten wij onze harten met deze en dergelijke andere getuigenissen van Paulus (Luther geeft hier verklaring op hfdst. 1 vs. 4) wel toerusten en bekwamen, opdat we de duivel, als hij weer eens komt en ons aanklaagt, en zegt: Zie, ge zijt een zondaar, daarom moet ge verdoemd zijn, kunnen tegemoet treden en antwoorden: Ja, beste duivel, juist daarom, dat ge mij als een zondaar aanklaagt en wil verdoemen, daarom zal ik rechtvaardig en vroom zijn, niet verdoemd, maar veeleer zalig worden. En of hij dan al aanhoudt en zegt: Per slot, gc moet verdoemd worden, dat ge u op de been en standvastig weet te houden, en te zeggen: Neen, niet alzo, want ik houd mij aan Christus, Die Zichzelf voor mijn zonde heeft overgegeven; daarom zult gij, gehate satan, daarmee, dat ge mij de grootte mijner zonden voorhoudt, en mij daarmee wilt verschrikken, verontrusten en in vertwijfeling voeren, en wilt maken, dat ik Gode vijandig worden zal en Hem zal verachten en lasteren, niets bereiken. Want juist met datgene, wat gij me zegt, n.1. dat ik een arme, grote zondaar ben, geeft gc mij een zwaard en wapen in de hand, waarmee ik je machtig overwinnen, ja, met je eigen wapen worgen en neerleggen kan.

Het zal ons best goed doen, om over hetgeen we boven gelezen hebben, eens wat na te denken.


*) Een artikel van ds. J. van Sliedregt, Herv. predikant te Ouderkerk aan de IJssel; overgenomen uit „De Waarheidsvriend" van 2 okt. 1952 (40e jaargang, no. 39).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1967

Daniel | 16 Pagina's

Het kenmerkende van het reformatorisch getuigenis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1967

Daniel | 16 Pagina's