Het kenmerkende van het reformatorisch getuigenis *)
(1)
We mogen gerust zeggen, dat, subjectief, dus vanuit de geestelijke worsteling van het mensenhart gezien, de reformatie geboren is vanuit de kreet om persoonlijke zekerheid des heils. Terwijl van alle kanten de schijnbaar onoverwinlijke burcht der kerk door de roomse leer werd opgetrokken en er dus niets vaster, onwankelbaarder en veiliger scheen te zijn clan de hoede van het heilsinstituut der moederkerk, was echter door de leer der boetedoeningen en verdienstelijke werken enz. enz. de persoonlijke zekerheid des heils van het erf der Kerk weggeroofd en werden de geknechte gewetens in cle diepte der wanhoop geworpen.
Het reformatorisch getuigenis, dat door Gods Geest in cle zestiende eeuw verwekt werd, was clan ook kenmerkend gericht op het ontbinden dier geknechte gewetens. Het Evangelie van loutere ch getuigenis } genade klonk door cle landen: de leer van cle rechtvaardiging van de goddeloze werd van dag tot dag herhaald en in de gewetens ingeclrupt. Heilige ijver brandde in cle harten om het licht van Gods Woord helder te laten stralen voor de harten der duizenden, die rondgedoold hadden als schapen, die geen herder hadden. En dat alles, ja natuurlijk eerst, opdat God en Zijn Woord zouden geëerd worden, maar clan toch, opdat de ketenen mochten afvallen van hen, die in cle maalstroom van helse vertwijfeling aangaande het heil hunner ziel dreigden ten onder te gaan, en opdat zij als vrije kinderen Gods hun weg verder met blijdschap zouden mogen reizen, gelijk we clat van de Moorman lezen.
Wat een zorg spreekt cr uit al cle geschriften der reformatoren omtrent het heil en de troost der zielen. Zij hebben er voor geworsteld en alles voor over gehad, opdat maar de vertroosting der Schriften aan arme zondaarsharten hoop zou geven.
En daartoe hebben ze eigenlijk niets anders gedaan dan maar altijd weer de getuigenissen Gods in Zijn Woord en instellingen naar voren gebracht. Altijd maar weer, in hun polemieken zowel als hun pastorale geschriften, beoogden ze slechts het onveranderlijk Getuigenis Gods in het volle daglicht te zetten en cle aandacht der harten daarop te richten. Zij onderkenden cle listen van satan juist daarin, dat hij zoekt de aandacht af te trekken van cle zekerheden Gods en tracht heen te leiden tot allerlei onvruchtbare speculaties. Alleen immers in cle persoonlijke relatie des harten tot cle getuigenissen Gods in Woord en Sacrament kan de persoonlijke zekerheid des heils opbloeien. De toonzetting
hunner geschriften is dan ook immer in de geest van hetgeen Luther ergens zegt in de Galatenbrief: ilt ge daarom verstandig, zeker en zonder gevaar voor uw geweten en uw zaligheid voortgaan, onthoudt u dan van zulk speculeren en navorsen, en leert onze Heere God aangrijpen op die wijze, als de Schrift leert, zoals in 1 Cor. 1 vs. 21—24 staat geschreven.... (Comm. Gal. br. cap. 1 : 3). Het ging er hun altijd weer om, de absolute vastheid en het allesomvattende van het heil in Christus voor een iegelijk, die gelooft, voor ogen te stellen, opdat de vruchten van vrede en blijdschap zouden genoten worden. Vandaar, dat de Christus, Zijn Persoon en werk, altijd bij hen in het middelpunt staan, doch niet in de idee, dat ergens hoog zweeft boven de hoofden, maar als de werkelijkheid Gods midden onder ons, zodat ook de christen in het licht getrokken wordt in zijn geloofsrelatie tot de Christus.
Om dezelfde reden neemt de rechtvaardiging van de goddeloze alleen om de verdiensten van Christus wille bij hen een dominerende plaats in hun denken en schrijven in. Alle weldaden, met name ook de wedergeboorte en het kindschap, ontvangen hun licht vanuit dit kernstuk der goddelijke leer. Om dat stuk ligt als het ware al het overige geordend.
Zo konden zij de blijde mare van het heil in hun prediking laten klinken en de zielen van zichzelf afleiden naar de vaste en onwankelbare Rots van Gods heil in Christus. Daardoor kon hun prediking ook nooit aanleiding geven om in het wankele leven van het gemoed te blijven hangen door dat te cultiveren, maar stootte hun woord alles wat vlees is om, opdat gezonken mocht worden op de vastigheid van Gocis Getuigenissen. En met de volle aandacht daarop gericht, handelden ze over de innerlijke zielservaringen en zieleworstelingen. Maar dit laatste dan ook weer in de geest van Calvijns woord: Wanneer de apostel leert (Fil. 2 vs. 12), dat wij met vrees en beving onze zaligheid zullen werken, eist hij niets anders dan dat wij er ons aan gewennen, met grote verwerping van onszelf, op te zien tot Gods kracht. Immers niets wekt ons zozeer op om ons vertrouwen en de zekerheid des gemoeds op de Heere te werpen, als wantrouwen jegens ons zelf en benauwdheid, die ontstaat uit het bewustzijn van onze ellende. (Inst. III, hfdst. II, 23).
Let op de woorden „met grote verwerping." Het gaat hun immers om de persoonlijke zekerheid des heils, en dat niet op wankele gronden, maar in het geworpen zijn op de enige, eeuwige en absoluut vaste grondslag, waarbij de mens met zichzelf en het zijne in de dood moet, en Gods Woord alleen alle eer ontvangt.
Daarom is hun getuigenis altijd zo beslist, doch tegelijk zo diep ernstig, want het is het antwoord op de bange roep: Zekerheid!.... Ik moet zekerheid hebben voor mijn arm hart!?
*) Een artikel van ds. J. van Sliedregt, Herv. predikant te Ouderkerk aan de IJssel; overgenomen uit „De Waarheidsvriend" van 2 okt. 1952 (40e jaargang, no. 39).
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1967
Daniel | 16 Pagina's