Een rubrick voor en van onze jeugd
Van een roomse boer, die ....
Wie had dat kunnen denken. Daar stapt nu boer Lievensz. met een prediker der ketters door de uitgestrekte polder. Veel is er in korte tijd veranderd. Zo straks liep hij nog met een hart vol vragen en nu zo ongedacht en onverwacht is er iemand op zijn levenspad gekomen. Neen, dat had hij vanmorgen, toen hij van huis ging niet kunnen denken, dat hij een slapende prediker in zijn korenveld zou vinden. Deze vertelt ondertussen zijn wederwaardigheden van de achterliggende nacht. Zonder schroom vertelt hij, dat hij op de boerderij van Douwe Jakobsz. overvallen is door de schout en zijn rakkers. Het was hem gelukt net op tijd te ontsnappen en hij hoopt dat zijn gastvrije vrienden verder geen narigheden overkomen zijn. „Maar goede man, " zo wendt hij zich tot boer Lievensz. „zeg mij nu eens wie U bent en wat de redenen zijn, dat U mij zo vriendelijk hebt uitgenodigd op uw boerderij een schuilplaats te zoeken. U hebt het inderdaad goed begrepen, clat ik een rondreizend prediker ben. Mijn naam is Klaasz. en ik heb al op verschillende plaatsen op dit eiland aan arme mensen een rijke boodschap mogen brengen. Kunt U ook zeggen, dat U rijk bent. Nee, ik bedoel geen aardse rijkdom, maar ik heb het oog op een innerlijke rijkdom, waarvan mijn Bijbeij zegt dat roest noch mot ze verteren kunnen."
„Ach, dominee", zegt boer Lievensz. „wat zal ik daarvan zeggen. Neen, rijk ben ik niet; wat het aardse leven betreft hebben mijn vrouw en ik het goed, maar geestelijk zijn we zo arm. Laat ik U echter eerst mijn naam noemen. Ik heet Lievensz. en tot voor kort waren we trouwe aanhangers van de roomse kerk. Hierin is echter verandering gekomen, toen mijn vrouw Sijke van een marskramer een klein boekje gekocht heeft. Het is een gedeelte van de Bijbel; daaruit heeft mijn vrouw dikwijls voorgelezen en daar staan zo veel dingen in die we niet begrijpen en die ons toch zo aantrekken en we hebben ook duidelijk gevoeld, dat de roomse kerk ons zo arm laat. En nu weten we het niet meer; nu zijn we niets meer. We zijn geen ketters, maar we zijn ook niet meer goed rooms. Ik voel me als een naamloze."
Stil heeft Ds. Klaasz. geluisterd naar de ontboezeming van de eenvoudige boer. In zijn hart is een woordeloos gebed tot de Heere. Het is hem zo vreemd te moede. Moest hij daarom nu deze nacht vluchten en moest hij daarom nu onder de blote hemel overnachten om deze heilbegerige ziel te ontmoeten? Heilig zijn o God Uw wegen. Hij weet het, hier ligt voor hem een taak, een wondermooie taak. Hij mag deze man en zijn vrouw onderwijs gaan geven. En hij kan niet nalaten om maar gelijk te beginnen. Zo heel eenvoudig begint hij nu te vertellen van de schepping; van de mens, die geschapen was naar het beeld van Zijn Maker. Zonder zonde in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Maar het heeft de mens niet goedgedacht God te dienen en in Hem te geloven. Vrijwillig en moedwillig heeft hij de zijde van de duivel gekozen en heeft God tot een leugenaar gesteld. Voor eeuwig alles verloren... als God Zelf niet een weg der behoudenis uitgedacht had.
Al voortlopend hebben ze ongemerkt de hoeve van boer Lievensz. bereikt. Vrouw Sijke ziet tot haar verwondering eensklaps haar man terug; nee, ze had hem niet voor de avond verwacht en daarom had zij ook geen haast gemaakt met haar huishoudelijk werk. Toen haar man in de vroege morgen vertrokken was had ze niet kunnen nalaten om nog even in het wonderlijke boekje te lezen en daar zit ze nu nog mee. En dan staat haar man daar zo maar ineens weer voor haar. Ze had hem niet zien of horen aankomen, zo verdiept was ze in haar boekje. En wie heeft hij toch bij zich? Een onbekende voor haar. Maar wat kijkt haar man toch blij. Wat is er toch aan de hand?
Ds. Klaasz. heeft met een oogopslag gezien wat de vrouw aan het doen was en daarom kan hij het Filippus nazeggen: „Verstaat gij ook hetgeen gij leest? ". Nee, er volgt geen antwoord, wel ziet hij in de ogen van de boerin een paar brandende tranen te voorschijn komen. En deze tranen spreken boekdelen en weer moet hij Gods wonderlijke leiding bewonderen. Boer Lievensz. vertelt met enkele woorden wie de vreemdeling is en waar hij hem gevonden heeft. Verbaasd heft zij de handen omhoog en weet de eerste seconden geen woord uit te brengen. Als zij echter
een weinig van haar verbazing bekomen is, gaat zij tot handelen over. Ze begrijpt dat deze vreemdeling vandaag nog niets te eten heeft gehad en daarom haast ze zich om een eenvoudige maaltijd klaar te maken. Al spoedig staat er brood en melk voor Ds. Klaasz. en wordt hij vriendeijlk genood toe te tasten.
Ds. Klaasz. heeft tot nu toe nog weinig gezegd, maar nu kan hij niet langer zwijgen. Hij heeft een grote honger, maar tocch zal hij eerst met deze mensen het aangezicht des Heeren zoeken. Hij zegt dan ook: „Goede mensen, ik dank jullie uit de grond van mijn hart voor jullie vriendelijke ontvangst. U nodigt mij tot de maaltijd en daar wil ik graag gebruik van maken, maar laten we eerst samen de Heere erkennen voor Zijn zegeningen ons bewezen. Hij heeft mij uit de handen van de vijand willen redden en mij hier veilig willen brengen. Hoe past het ons zijn naam aan te roepen."
Dan knielt hij neer en de boer en de boerin volgen zijn voorbeeld. In een ootmoedig gebed dankt hij de Allerhoogste Majesteit voor Zijn trouwe zorg tot nu toe bewezen, vraagt een zegen over de gaven Zijner handen. Maar dan legt hij in eenvoudige ongekunstelde woorden ook zijn weldoeners neer aan de gezegende Middelaarsvoeten. Hij smeekt om hun bekering en om de leiding des Heiligen Geestes om hen te mogen onderwijzen. Nog nooit hebben de boer en zijn vrouw zo horen bidden. Ze begrijpen het; dit is spreken van een kind met zijn vader. Diep ontroerd hebben ze geluisterd en meegebeden. Na een krachtig Amen kunnen ze gaan eten, maar alle drie zijn ze te ontroerd om direct te beginnen. Ze spreken geen woord. Als God spreekt door Zijn Geest past het de mens te zwijgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1967
Daniel | 16 Pagina's