JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Opbouw.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Opbouw.

6 minuten leestijd

Het boek Amos is ruwweg in vieren te verdelen. liet eerste deel wordt gevormd door de hfdst. 1 en 2, bestaande uit gerichtsaankondigingen jegens verschillende volkeren, uitlopend op een bedreiging aan het adres van Juda en Israël. Elke profetie wordt ingeleid door een gelijkluidende formule: „Om drie overtredingen van.... en om vier zal Ik dat niet afwenden." (Dit betekent: omdat ze zich al aan zovele overtredingen hebben schuldig gemaakt, zal Ik het oordeel niet herroepen).

Het tweede deel, de hfclst. 3 tot en met 6, bestraft Israëls zonden. De hfclst. 7 tot en met 9 : 10 geven een reeks van vijf visioenen, onderbroken door een historische mededeling over Amazia's optreden tegen Amos (7 : 10—17) en dooien ige bedreigingen tegen Israël (8 : 4— 14.) Het vierde deel bestaat uit dc laatste 5 verzen van het boek: en heilsbelofte.

Amos roeping.

Achter het spreken van Amos zit e> en goddelijk moeten. In enkele verzen herinnert Amos het volk eraan dat elke werking een oorzaak heeft (lees het begin van hfdst. 3!) Dat doet hij met simpele voorbeelden: Als een vogel — in een strik gevangen — op de aarde valt, moet er toch eerst een strik zijn; wanneer een leeuw brult, betekent dat toch dat hij een prooi gevangen heeft e.d. Ten aanzien van de roeping keert hij de redenering om: elke oorzaak heeft een uitwerking, een gevolg. Zo ook hier: „De Heere IIEERE heeft gesproken, Wie zou niet profeteren? "

Amos wil zeggen: als je mijn roeping in twijfel trekt omdat ik je het oordeel aanzeg, ik kan niet anders, want de grote Oorzaak en Bewerker ervan is Jahwe, en wie ben ik dat ik zou zwijgen als Hij te spreken geeft. Amos is gevangen in Gods werkelijkheid en Woord.

Verzet.

Nog in een ander verband verhaalt Amos over het goddelijk gezag achter zijn woorden, en wel in het slot van hfdst. 5. Zoals we al zagen, beschuldigt Amazia daar de profeet van oproer tegen de koning en hij beveelt Amos: „Gij ziener, ga weg, vlucht in het land van Juda (= Amos' vaderland) eet daar brood en en profeteer aldaar." Amazia stelt het dus voor alsof hij met een profeet-om-den-brode te doen heeft (let op het: „eet daar brood"!) Heftig wijst Amos deze beschuldiging van zich af. Xlij zegt dan dat hij oorspronkelijk zelfs helemaal geen profeet was, ook geen profetenzoon (dit is: profeten-leerling, opgeleid in een profetenschool).

Maar, zegt hij: „Ik was een ossenherder en las wilde vijgen af. Maar de Heere nam mij van achter de kudde en de Heere zeide tot m> j: „Ga heen, profeteer tot mijn volk Israël." Dat is heel wat anders dan zoals Amazia het deed voorkomen. Deze laatste ging ervan uit mensen-woord met een te maken te hebben, een woord dat je kunt uitspreken of inhouden. Maar het gezag van Jahwe laat geen aarzeling toe, zelfs geen discussie, doch het Woord des Heeren moet onvoorwaardelijk uitgezegd worden. Zulk verzet als van Amazia is kenmerkend; dat komt meer voor! Amazia was op zijn rust gesteld, voelde wel aan met een Godsspraak van doen te hebben, maar poogde het in zijn vijandschap te kleineren en te herleiden tot een menselijke boodschap. In onze zelfhandhaving buigen we niet voor het gezag van Gods Woord, voor

het goddelijk oordeel over ons zelfingenomen leven. We houden het Woord van ons af zoals Amazia. Maar deze verharding tegen en geringschatting van het Woord berooft dat Woord geenszins van zijn kracht. Het is buigen of breken, een derde mogelijkheid is er tenslotte niet. Het Woord als zodanig is steeds het Woord van de Geest. Calvijn zegt: Wie zich tegen het Woord verzet, verzet zich tegen de II. Geest. Inderdaad, en wie dan ook het Woord Gods minacht, staat het oordeel te wachten. Amos zwijgt niet — hoe zou hij immers kunnen? — maar zegt Amazia, deze verachter van het Woord, het oordeel aan. Dat is hier de roeping van Amos. En zo kan het dacht ik nog. Lees maar antwoord 84 van de Heid. Catechismus. Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls als zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus' wil, vergeven zijn; daarentegen alle ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren...."

Amos bewogen met zijn volle.

Amos staat voluit aan Gods kant, zoals David. „Zou ik niet haten, Heere, die U haten? " Maar dit brengt geen starheid met zich mee. Amos is anders dan Jona, die boos was op de Heere omdat Hij berouw had over het kwaad dat Hij Ninevé had toegezegd. Nee, Amos heeft ook weet van Gods barmhartigheid. Daarom kan hij ook in de bres gaan staan voor zijn volksgenoten, als een voorbidder - en middelaar. Zoals de Heere zich door Abraham en Mozes liet verbidden, zo ook door Amos. Zien we door Amos heen niet als vanzelf op de gestalte van de Man van Smarten, die voor de overtreders gebeden heeft? Ook de Heere Jezus stond volledig aan de kant van zijn Vader: Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede". Maar evenzeer was Hij bewogen met de schare en bad Hij zelfs voor hen die Hem aan het kruis sloegen. Als we er logisehverstandelijk over gaan redeneren, zit hier iets ondoorgrondelijks in: hristus zijn Vader biddend voor de gruwelijkste smaders van Vaders liefste pand! Deze wijsheid Gods is dwaas in mon-se ogen, maar voor hen die zich als zo'n smader leren kennen, een kracht Gods tot zaligheid. Hoe ongerijmd en onbegrijpelijk voor onze vleselijke gedachten, hierin ligt juist het wonder van genade: od heeft vijanden lief om Zijns Zoons wil, geeft uit vrijwillige liefde zijn enige lieve Zoon over aan smaadheid.... naar zijn welbehagen. Verder kunnen we niet denken. Dit is eeuwig werkelijk een wonder, in de volle zin des woords. Dat de eer van God ook gepaard gaat met het behoud van godverachters, zien we onmiskenbaar in Christus. Iets daarvan bespeuren we ook bij Amos. In 7 : 1—3 smeekt hij: Heere, vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan, want hij is klein." De Heere verhoort het gebed en heeft berouw. De volgende verzen tonen dat de Heere Amos' voorbede voor de tweede maal verhoort. Bij de derde gerichtsaankondiging heeft Amos echter geen vrijmoedigheid meer oin nog langer tussenbeide te komen. Hier wordt het gericht onontkoombaar aangezegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1967

Daniel | 16 Pagina's

Opbouw.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1967

Daniel | 16 Pagina's