DE KERKHERVORMING
IV
Van de tijd, die in Luthers leven verliep tussen de avond dat hem in zijn studiecel de „poort van het paradijs openging" en de dag dat hij zijn 93 stellingen aansloeg aan de poort van de slotkerk te Wittenberg, weten we niet veel, omdat er niet veel naar buiten gebeurde. In het jaar 1517 des te meer. In het gebied van Albrecht, aartsbisschop van Mainz, werd een grote aflaathandel georganiseerd. De helft van de opbrengst was voor Albrecht, die in diepe schulden geraakt was, de andere helft zou de paus krijgen voor de bouw van de Sint Pieterskerk te Rome.
In een vorig artikel hebben we reeds bij de schrikkelijke leer van de aflaat en haar motivering stilgestaan. We hebben toen getracht duidelijk te maken, dat steeds meer de indruk werd gewekt dat de aflaat niet alleen de straf, maar ook de schuld van de zonde kwijtschold. De aktie stond onder leiding van dc monnik Johan Tetzel, wiens schreeuwerige reklame stromen geld uit de zakken der arme Duitsers in de buidels van Albrecht en paus Leo X deed overgaan. Over het ware berouw als voorwaarde werd niet meer gesproken: dat zou de verkoop maar remmen. Dc koper kon meteen biechten bij wildvreemde geestelijken, die met de handelaar waren meegekomen. Men kon ook aflaten kopen voor gestorven familieleden in het vagevuur. Tetzel bestond het zelfs te zeggen: „Als het geld in 't kastje klinkt, 't zieltje in de hemel springt." Daar de aflaatbrief ook in liet
stervensuur kon worden ingelost, was hij in de ogen van het volk practisch een vrijbrief tot zondigen.
Als deze verschrikkelijke zielsmisleiding Lu dier ter ore komt, wordt de Geest Gods vaardig over hem. „Wie over zijn zonde werkelijk berouw heeft", zegt hij, „probeert niet aan de straf te ontkomen, hij verlangt veeleer naar de boetedoening, om onder te gaan in Gods gericht en op te staan in Zijn genade".
Op de middag van 31 oktober 1517 sloeg hij aan de deur van de Slotkerk te Wittenberg een papier met 95 stellingen in het latijn over de aflaat, met de uitnodiging aan de deskundige lezers, hierover mondeling of schriftelijk met hem van gedachten te wisselen.
Dwars tegen Tctzel in verklaarde hij onder meer het volgende:
st. 1. Als onze Heerc en Meester Jezus Christus spreekt: „Doet boete", heeft Hij gewild, dat geheel het leven der gelovigen boete zal zijn.
st. 21. Die aflaatprcdikcrs dwalen dan ook, die zeggen, dat een mens door de pauselijke aflaten van alle straf verlost en gevrijwaard wordt.
st. 32. Vervloekt in eeuwigheid, met hun leermeesters, zullen zij worden, die zich op grond van aflaatbrieven zeker achten van hun heil.
Dat Luther meende dat de schuld van de volksmisleiding lag voor rekening van de aflaatpredikers en niet voor die van de paus blijkt uit stelling 50: Wanneer de paus de handel der aflaatpredikers kende, zou hij liever de Dom van Sint Petrus tot as laten verbranden, dan dat deze van huid, vlees en benen van zijn schapen zou gebouwd worden.
Het is geheel anders gelopen clan Luther had kunnen vermoeden. Luther had in geen geval het plan een nieuwe kerk te stichten. De stellingen waren voor de geestelijkheid bedoeld; had hij voor het volk willen schrijven, dan zou hij het anders hebben gedaan en beslist niet in het latijn.
De stellingen werden echter spoedig in het Duits vertaald, waren, dankzij de wondere boekdrukkunst, in 14 dagen in geheel Duitsland en in 4 weken ook overal elders verbreid. Ze vonden overal een verrassende ontvangst, een hartverwarmende weerklank. Het ging Luther, zoals een modern theoloog in een prachtig beeld zegt, als een man die in het donker een wenteltrap in de toren van een oude kerk bestijgt. In het duister tast hij naar een steun en zijn hand grijpt een touw. Ilij schrikt, als hij hoort dat plotseling boven hem een klok begint te luiden.
Met Tetzels grote winsten was het nu gedaan. Geen wonder dat hij, aartsbisschop Albrecht en vele anderen de Wittenbergse monnik bitter gingen haten. Luther werd bij de paus als ketter aangeklaagd. Leo X nam de zaak aanvankelijk licht op; hij beschouwde haar slechts als een onbeduidende monnikentwist. Hij eiste herroeping van Luther, maar deze weigerde. Luther schreef een brief aan dc paus, met een nadere uitleg van zijn stellingen. Het antwoord was het bevel om binnen 60 dagen te Home voor zijn rechters te verschijnen. Luthers landheer, keurvorst Frederik de Wijze, heeft hem in deze tijd buitengewoon beschermd. Hij wist van de paus gedaan te krijgen dat Luther niet in P.ome, mü ra' in Augsburg zou worden verhoord. Deze taak was opgedragen aan de knapste theoloog in Rome, kardinaal Cajetanus. Deze heeft op alle manieren geprobeerd de man uit Wittenberg terug te brengen van zijn weg. Maar noch de indruk van het purper, noch zijn vaderlijke vermaning waren er toe in staat. Ook dreigementen met ban en interdict hielpen niet. Na 2 dagen is het geduld van Cajetanus ten einde: „Ga, ga, en kom me niet weer onder
de ogen, tenzij je herroepen wilt", bijt hij hem toe, hem de deur wijzend. Een tweede debat zal leiden tot een onherroepelijke breuk met de Kerk.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1967
Daniel | 16 Pagina's