Vermoeid van !eed en leven
Een dichter heeft het vermogen in woorden weer te geven wat vele anderen denken en gevoelen. En als wij dit dan lezen, zeggen wij: ja, zo is het, maar ik kon het niet onder woorden brengen.
Wij hebben nu enkele keren geluisterd naar de stem van de dichter Bloem over de zomer; er zijn enkele gedichten in het kort besproken, met enige kanttekeningen er bij. Nu wij het toch over de zomer hebben, die dit jaar zo bij uitstek mooi is, moet ook nog „Zomerloomheid" van Bloem een beurt hebben.
Nog deze morgen, in de blauwe koelte Der schaduw, heb ik 't leven zeer bemind; Nu ben ik overmand van zorg en zoelte In het vermoeiend spel van zon en wind.
's Morgens, toen de hitte nog zeer dragelijk was, moest het rusten in de schaduw wel zeer aangenaam zijn. Geen wonder dat wij het leven dan zeer beminnen; wat zouden we meer wensen! Nog niet zo lang geleden, ook in deze schone zomer, liep een man van straks honderd, te wandelen. Hij beminde het leven nog zeer en riep uit: „Wat is de natuur toch prachtig!" Die natuur had hij al zovele jaren aanschouwd, maar hij raakte toch nog niet uitgekeken. Die bijna-honderdjarige is een zeeuw en Zeeuwen spreken niet zo gauw met „vrome" woorden; anderen hadden volmondig gezegd: „Wat is Gods natuur toch schoon!" Dat bedoelde die oude man ook zo, maar het kwam niet tot woorden, want de mensen moesten eens iets van hem „denken". De zomerdag is voorbij en de dichter is vermoeid, hij is loom, overmand door de zorgen en de lauwe wind; de hele dag heeft de zon geschenen en de wind bracht geen koelte aan. Hij is bijna door de zomerwarmte bevangen en heeft nergens lust toe; hij doet niets anders dan van het mooie weer genieten, zonder iets uit te voeren. En daarom voelt hij zich
Een ledige van daden en van dromen, Een mens voor wie niet anders meer bestaat Dan 't zwatelen der blaren aan de bomen, En 't stof, dat warrelt langs de droge straat.
De man is vermoeid van het leven, dat zo zwaar is geweest, zoals het werken in de zomerwarmte uit doet zien naar de rust, als cle avond gaat vallen. En dat drukt hij in de laatste strofe van het gedicht uit met deze woorden:
Wat blijft voor de vermoeide van dit dolen, In wie de felle stem der aarde zwijgt, Tenzij die éne drang, die cliep-verholen Naar dauw, gelatenheid en avond hijgt?
De vermoeiende dag brengt op het eind de avond. En dat is voor de dichter in het diepst van zijn hart overgebleven. Die avond zal dauw geven, verkwikking voor al het vermoeide, dat de zonnewarmte heeft moeten doorstaan. Maar ook gelatenheid, het zich onvoorwaardelijk er bij neer moeten leggen, dat de dag is voorbij gegaan en cle avond is aangebroken. Door deze regels heen zien wij, dat het niet meer gaat om de zomerdag op zichzelf, maar dat Bloem doorstoot naar het einde van zijn leven. Waar die verkwikking dan in bestaat, daar laat hij ons naar raden; dat wordt met geen woord gezegd. En daarom eindigt het gedicht onbevredigd. Met hoe-
veel mensen zal het gaan als hier door de dichter wordt gezegd? Geen gegronde hoop voor de toekomst; alleen het gelaten ondergaan van de tijd die voorbij gaat en niet meer zal keren.
Van dezelfde dichter zullen wij nu laten volgen;
REGEN EN MAANLICHT
De zomernanacht groeit de morgen tegen; Nog is de hemel rein van dageraad. Alleen de kleine stem der zachte regen, Die aan mijn open venster praat.
Deze strofe is heel mooi en innig van zegging. Let op de prachtige beeldspraak: de regen die aan mijn venster praat! En dan gaat het verder:
Naar bed gegaan, vermoeid van leed en leven, Een mens, die slaap wenst als hem d' aarde pijnt, Voel ik mij tot een lichter lust verheven, Omdat de maan zo helder schijnt.
O onrust van de hete zonnedagen, O wegen in de beet van 't stof begaan, Wie zou na loomte en angst nog anders
vragen
Dan déze schijn der maan? Misschien spreken deze regels wel voor zichzelf. Zij, die poëzie enigszins aanvoelen, zullen wel begrijpen wat Bloem hier zegt. Hier komt hij tot zichzelf. Na de hete zonnedagen en na het gaan door het stof, ziet hij de stille maan. De zonnedag heeft hem loom gemaakt en de beet van het stof bracht angst teweeg, maar nu is het rustig geworden. En dan volgt het slot:
En dan volgt het slot: Al wat ik heel mijn leven heb verzwegen, Verlangen zonder vorm en zonder naam, Is nu geworden tot een warme regen Buiten een zilvren raam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1967
Daniel | 16 Pagina's