Een dag in Uw huis
Wij, jongeren
E Maar ben je er dan?
We willen ook deze keer beginnen met een brief die over de prediking gaat. Een nog jonge lezer schrijft het volgende:
„Met genoegen lees ik altijd uw artikelenserie „Wij, jongeren." En niet alleen omdat liet mooie en goede artikelen zijn, maar ook omdat m'n eigen hart er zo in verklaard wordt.
Het is inderdaad zo: als je 's zaterdagsavonds de Iieere een zegen vraagt voor eigen hart op de prediking, als je het altijd doet, dan geeft de lïeere onvergetelijke preken. Dan gaat het niet over je hoofd heen en al weet je soms later niet veel meer van de preek, wat er voor je persoonlijk in zit, persoonlijk voor mij, dat vergeet je niet.
Dan ontstaat er zo'n intieme omgang met God. Dan heb je Iemand waar je met je zorgen naar toe kan. O, dat is soms zo heerlijk, zo hartverblijdend. Al heb je soms niets aan de preek gehad, dan is er toch nog dc zegen of zegenbede. Dan heb je daar nog wat aan.
Dit schrijf ik U opdat U weet dat er nog zulke jongeren zijn.
Maar, ik geloof dat er ook gevaren zijn, waarop gewezen moet worden. Met al die dingen zijn we niet bekeerd. We moeten er niet tevreden mee zijn. Een mens blijft graag zitten op wat hij heeft, wat hij beleefd heeft. Maar moeten we dat allemaal niet verliezen? Moeten we al onze fijne uren in de kerk, onze gebeden en onze liefelijke meditaties niet verliezen en als een zeer arme en nietshebbende, vuile zondaar bij de Heere terecht komen? Ik hoop dat de Heere me op deze plaats brengt. Want m'n hart zegt me dat ik het niet wil. En de Bijbel leert me dat ik uit mezelf niet naar God zoek. Want het is Uw huis dikwijls ook niét zo. Dan is het koud in me. Of ik wil niet. Dan staat het me tegen. De Heere geve ons allemaal op die zeer lage plaats te komen. En Hij volbrenge Zijn werk in ons, dat we allemaal de eerste vraag en antwoord van de catechismus doorleven." Tot zover deze brief.
Door het geloof . . .
Wij geloven dat deze brief gedachten naar voren brengt, die in het hart van velen leven. En daarom zijn we blij dat deze lezer zijn gedachten onder woorden heeft gebracht. Wat zijn dat heerlijke tijden, als het Woord ons raakt. Dan hebben we moed om zalig te worden. Dat verbindt ons zo nauw aan de Heere en Zijn dienst.
Maar zit daar geen gevaar in? vraagt de lezer nu.
Ons antwoord is: nee, nooit. Wat de Heere geeft is nooit gevaarlijk. Wel zit er gevaar in ons hart. We zijn geneigd om blij te worden met Gods gaven en Hemzelf intussen uit het oog te verliezen. Dan gaat de levende omgang met God verschralen. En dan zoeken we houvast bij de herinnering aan fijne uren van toen en toen. Maar laten we dan van Asaf leren, hoe! Toen de Heere Zich voor hem verborg en hij angstig dacht: heeft God vergeten genadig te zijn? viel hij zichzelf in de rede en zei: Nee, — 'k Zal gedenken, hoe vóór dezen, ons de Heer' heeft gunst bewezen! Niet om steun te vinden bij vroeger zonder meer, maar bij die God Die trouw houdt en nooit laten varen wat Zijn hand begon. Alles wat ons bij God brengt is betrouwbaar. Dat hoeven we nooic te verdenken. Maar wat ons van Hem afhoudt, dat moeten we doorzien en schuwen. Dat kan zijn: van je bevinding grond maken. Dat kan zijn: je hart, dat
soms zo afkerig is. Dat kan zijn: verstandelijke redeneringen van: het zal toch. zo en zo moeten, en intussen de Heilige Geest bedroeven.
Maar, zegt iemand, Abraham moest toch ook Izak, de zoon van dc belofte nog wel, gaan offeren? Ja, maar niet eerder dan toen God hem daartoe bevel gaf. Abraham heeft vóórdien nooit gedacht: ik zal mijn zoon toch eens moeten verliezen. Nee, hij heeft zich verblijd in God, Die Zijn belofte had vervuld. Hij was blij met Izak en dat mocht. Maar toen ging God hem beproeven. Toen kwam het verbijsterende bevel: neem je zoon en ga hem offeren, Abraham! En zo kan God Zijn gelovigen nog beproeven. Als Hij dat nodig vindt. En wannéér Hij de tijd acht gekomen. Dat is Zijn zaak. Maar dan dreigt ons alles te ontvallen. Zelfs Zijn eigen werk in ons hart. Maar denk niet dat God Zijn eigen werk ooit verbreekt! God heeft geen moment overwogen om Izak tedoden. Hij wou alleen Abraham op de proef stellen. Waar kies je voor: dc gave of de Gever? je kind of je God? je vroegere bevinding of Mijn Woord nu? voor je gevoel of voor het pure geloof? En Abraham koos voor het laatste. Volg zijn geloof na, zou Paulus zeggen. Geloof in wie? ïn een onbewogen God, tegen Wie je toch niet ópkunt? Nee, in die God, Die machtig was zijn zoon Izak weer uit de doden op te wekken! Dat staat in Hebreeën. Dus in een almachtig cn ontfermend God. Er mag dan één ogenblik zijn in Zijn toorn, maar er is een leven in Zijn goedgunstigheid.
En toon Abraham voor de Gever koos, kreeg hij de gave terug. Zo is God. Ja, Hij is de God, Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven.
„Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1967
Daniel | 16 Pagina's