JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE KERKHERVORMING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE KERKHERVORMING

6 minuten leestijd

DE KERKH i.

Dit jaar mogen wij herdenken dat het 450 jaar geleden is dat God Zijn Kerk heeft uitgeleid uit het diensthuis van Rome. Het Woord Gods, dat zo lange tijd verborgen was geweest onder een korenmaat, werd weer op de kandelaar geplaatst, opdat het Zijn schijnsel weer zou kunnen geven. In het bijzonder in deze tijd van oecumene, waarin de grenzen tussen Rome en Reformatie zo vervlakken, willen en mogen we deze ingrijpende gebeurtenis niet zonder meer voorbij laten gaan. In enkele artikelen willen we de jaren rond 1517 wat nader belichten. Voor een juist begrip van de gebeurtenissen die plaats grepen, zullen we eerst de situatie in en rond de Rooms-Katholieke Kerk bezien.

Van de wieg tot het graf, ja tot over de dood heen in het vagevuur, waakte de Kerk voor de gelovigen en schonk hun bij stukjes en beetjes de genade die zij nodig hadden door middel van de zeven sacramenten, die men sinds de 13e eeuw kent.

Zo spoedig mogelijk na de geboorte ontvangt het kind de Doop, want wie ongedoopt sterft gaat onherroepelijk naar het voorgeborchte van de hel. Na enig onderwijs ontvangt het kind op jeugdige leeftijd (ongeveer 7 jaar oud) het vormsel, bediend door de bisschop met handoplegging en zalving. Door dit sacrament wordt de Heilige Geest het kind medegedeeld, waardoor het kracht krijgt om te belijden. De geestelijke blijft waken over zijn kudde door middel van de biecht; die sinds 1215 verplicht is. Dit is een machtig middel in de hand der geestelijkheid ERVORMING tot volksopvoeding en volksbehecrsing. Het hoofdbestanddeel van de eredienst wordt gevormd door het sacrament des altaars, de mis, de onbloedige herhaling van het offer van Christus tot delging der zonden.

Wordt de gelovige priester, dan verkrijgt zijn ambt een onvernietigbaar karakter door de priesterwijding.

Huwt de gelovige, dan ontvangt hij het sacrament van het huwelijk. Daarom is in de Rooms-Katholieke Kerk een huwelijk eerst rechtsgeldig wanneer het in de Kerk is ingezegend.

Eindelijk, bij het naderen van dc dood, bekent de gelovige in een algemene biecht de tot nu toe wellicht verzwegen zonden, en ontvangt hij in het heilige oliesel het sacrament der stervenden, dat hem van zijn uiteindelijke zaligheid verzekert.

Op wie richtte zich nu het volksgeloof, dat door deze heilsmiddelen werd gevoed? Men zou denken: op God en op Christus. Maar dezen stonden voor het volksbewustzijn op een verre afstand. Christus werd allereerst als de toornende rechter gezien. De eigenlijke voorwerpen van liefde en aanbidding waren de heiligen, waarvan het getal voortdurend groeide. Aan de spits van dit rijk der halfgoden staat Maria, de middelares, die met haar verdiensten en voorbeden bij God voor de zondaren intreedt.

Met de hciligendienst hing de grote verering samen van lichaamsdelen van heiligen en andere voorwerpen, die direct met hen in verband hadden gestaan: de relikwieën (overblijfsels). Hierbij werd vanzelfsprekend veel bedrog gepleegd, wat in de tijd der Reformatie ondubbelzinnig aangetoond wordt in

Calvijns tractaat der relikwieën. Zo spot En ismus: „De relikwieën van liet ware kruis maken samen wel een scheepslading hout uit." De inkomsten die de Kerk door al deze bezienswaardigheden beurde, waren hoog.

De prediking werd in het algemeen sterk verwaarloosd. Daar de leken bovendien de bijbel niet kenden (eerst laat in de middeleeuwen werd de bijbel uit het Latijn in diverse talen vertaald, terwijl bovendien de geestelijkheid onwelwillend stond tegenover bijbelverspreiding en - onderzoek) was de onkunde zeer groot. Men moest zich maar blindelings onderwerpen aan het kerkgezag, ook al wist men van de inhoud van de kerkleer weinig of niets af. Deed men dit, dan „geloofde" men. Grote indruk op deze naïeve „gelovigen" maakte de prediking van het komende oordeel en van de eeuwige hellestraffen. Veelvuldig zijn de verhalen over middeleeuwers, die eerst een losbandig leven leidden, maar door een plotselinge angst voor het gericht tot een ander leven werden gebracht.

De voornaamste uitingen van het geloof waren de goede werken, waarmee men zich aangenaam kan maken voor God. Hiertoe behoren: vasten, aalmoezen, gebeden, bedevaarten naar heilige plaatsen, giften, kerkbouw, zelfmishandeling, in het klooster gaan enz. Als we over de goede werken spreken, moeten we ook de aflaat vermelden. Daar dc aflaat belangrijk geworden is als de aanleiding tot de Kerkhervorming, zullen we op deze materie wat nader ingaan. Wanneer iemand bij de biecht de priester een bijzondere zonde beleed en ze hem werd vergeven, moest hij zich nog onderwerpen aan een bepaalde straf, om daardoor te bewijzen dat zijn berouw ernst was. Nu was het echter moj gelijk dat deze straf geheel of gedeeltelijk werd kwijtgescholden op grond van een bijzondere Gode welgevallige daad, bv. door deelneming aan een kruistocht of bedevaart, door schenkingen aan kerken of kloosters. Zon kwijtschelding van de straf heet een aflaat. Later werd de aflaat niet alleen verleend op grond van een bijzondere daad, maar ook tegen betaling van geld. Daar kwam bij, dat de aflaat niet alleen voor de kerkelijke straffen geldig werd geacht, maar ook voor de straffen in het vagevuur, waarvoor men grote angst had. Als we denken aan de nooit te verzadigen geldhonger van de paus en de geestelijkheid, spreekt het vanzelf, dat de aflaat voor geld de hoofdzaak werd. Zo ontstond een reusachtig internationaal bedrijf van de aflaathandel. Vooral toen aangenomen werd, dat men daardoor niet alleen zijn eigen vagevuurjaren kon bekorten (het totale aantal blijft op aarde onbekend), maar ook die van zijn gestorven familieleden. En door het nauwe verband van zonde cn straf, betekende de aflaat voor het volksbewustzijn ook zondevergeving. Wat men aan berouw tekort kwam, werd door het geld weer goedgemaakt. Zo werkte de aflaat de grootste lichtvaardigheid in de hand.

De theologie trachtte dit vreselijke bedrog als volgt te rechtvaardigen: de Kerk beheert „de schat der overtollige goede werken" die aangebracht zijn door Christus en door de heiligen, die meer O 7 verdiensten hebben clan ze nodig hadden om dc zaligheid te beërven. Op grond van dit „saldo" kan de paus een aflaat-„cheque" afgeven aan hem, op wiens hemelse rekening nog een tekort aan goede werken voorkomt. Sinds 1343 is dit officiële kerkleer. Het evangelie, dat de mens zalig wordt zonder de werken der wet, alleen uit louter genade, om der verdienste van Christus wil, heeft hier geheel haar betekenis ver-

loren. (Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1967

Daniel | 16 Pagina's

DE KERKHERVORMING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1967

Daniel | 16 Pagina's