Tot in de dood
(3)
In 't paradijs sprak God het reddend woord: „Ik zend Mijn Zoon, Ilij zal de kop vertreden van deze slang, die u heeft aangespoord derven van het zalig Eden." Wij waren met die heilstaat niet tevreden en hoogmoed rees in 't schuldeloze hart; de ziel verviel tot ongerechtigheden. Geen val zo diep, geen toekomst zo benard, geen lichtflits meer in 't uitzichtloze zioart. Waar was nog heul in dit van-God-verlaten, dit denken dwaas, dit streven zo verward, dat wij de Bron van al het leven haatten? Het bloed van offerdieren kon niet baten voor al het kwaad, door ons zo snood bedreven, maar Heilig God, Gij meet met andre maten: Gij hebt Uzelf tot in de dood gegeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1967
Daniel | 16 Pagina's