Een weerwoord tot de Pinksterbeweging
Gods wet of ons geluk?
(3)
In de Bijbel is nimmer sprake van een Evangelie dat niet als achtergrond de Wet zou hebben. De Wet geeft inhoud aan het Evangelie. Wij hebben Gods recht cn liefde geschonden, waardoor wij vervloekt zijn. Zó erg is het met ons geworden dat de Heere Zijn Zoon een vloek heeft gemaakt. Hij heeft Hem zonde gemaakt! Dat is Evangelie. Daar kun je nooit „iets bij worden", daarbij blijf je een bedelaar, want het is het Evangelie van genade voor zondaren. Rijk worden doe je nooit omdat het allesbeheersende is: Christus bracht herstelling aan voor zondaren. Hij verzoent de schuld. Elke dag opnieuw is het weer: Vergeef ons onze schulden. Zelfs hij die aan de Wet is gestorven zodat hij er geen heil meer van verwacht, zal juist daarin ten volle de Wet op het oog hebben: bij mij niet, maar op Golgotha gaat het om de Wet Gods. De Pinkstergemeente ziet dit maar heel matig. Voor haar betekent Golgotha in de eerste plaats: de verlossing van de satanische machten en onze bevrijding. Natuurlijk is dat een aspect, maar ik dacht dat het voor alles hier om draaide: het kruis is het oordeel over de zonde, daar draagt de Heere Jezus de straf op onze Wetsverzaking, daar laat Hij de Wet de Wet van de Vader zijn. Op Golgotha zijn wij goddelozen en vijanden, omdat de Wet daar spreekt. Daar blijkt de geestelijkheid van de Wet, daar zijn wij vleselijk, verkocht onder de zonde (Rom. 7). Daar is de verzoening aangebracht, dc toorn Gods gestild. Dit dient de grondslag van alle spreken over het kruis te zijn: wat God in Christus zonder ons maar voor ons (cn door onze schuld) gedaan heeft.
De Bijbelse verkondiging, die Wet en e Pinksterbeweging Evangelie verbindt, geeft ons niets in handen, maakt ons geen „gelukkige" mensen. Er is wel gelukzaligheid, maar buiten de mens, in het geloof. Paulus waarschuwt tegen het vooruitgrijpen op het hemelleven, hij jaagt nog naar de volmaaktheid.
Het Woord of het gevoel?
De Woordverkondiging heeft in de Pinksterbeweging een te ondergeschikte plaats in vergelijking met haar „zelfwerkzaamheid". Dat is dacht ik hoogmoedig. Paulus hecht voor alles waarde aan het Woord: om. 15 : 25, 1 Cor. 1 : 21, 15 : 14, Gal. 3 : 2, 5, 1 Thess. 2 : 13 enz. Juist het Woord snijdt alle eigengemaakte vroomheid af. Telkens is dat weer het Woord van „Hij moet wassen ik minder worden", telkens worden weer goddelozen gerechtvaardigd. Het nodigt steeds weer armen van Geest, hongerenden en dorstenden, hen die geen geld hebben. Hij ziet telkens weer neer op de arme en verslagene van geest en die voor Zijn Woord beeft (Jes. 66 : 2). Dc Heere heeft geen welbehagen in mensen die het „hebben", die zo vol van de Geest weten te zijn. Hongerigen vervult Hij met goederen (Luk 1 : 53) en dan mag men ook „rijk" zijn zoals Maria, maar voortdurend vanuit alle nood en dood opdat de genade te meerder worde (Rom. 5 : 20). Daartoe dient dc prediking van dc Wet, het Woord dat ons brandmerkt als wederspannig en hard van nek (Deut. 31 : 27), ons Sodom en Gomorra noemt (Jes. 1 : 10), ons overspelers noemt (Jer. 3 : 1). Niet opdat wij zullen wanhopen aan de Heere, maar wel aan ons zelf, aan ons „bezit" van een gevoelig hart, aan onze geestelijke ervaringen. Het geloof hangt aan het Woord dat veroordeelt en vrijspreekt in Christus. Alle jubelen zal gelovig moeten zijn en dat is niet
slechts: evoelig. Ontdekkende prediking is nodig om al ons eigenbedoelend gevoelen aan de kaak te stellen. Het kenmerk van de gelovigen in de Bijbel is niet: ondertekenen, voelbare bevindingen, maar bevindelijk geloof, d.w.z.: an verdrukking tot lijdzaamheid, van lijdzaamheid tot bevinding (of: eproefdheid), van bevinding tot hoop, omdat de liefde Gods schraagt, omdat Christus voor goddelozen gestorven is (Rom. 5:1). Leven uit de Geest wil in de Bijbel zeggen: egen alles in, tegen hoop op hoop geloven, leven uit het Woord van het volbrachte werk van Christus eenmaal geschied voor goddelozen, leven uit de rechtvaardigheid buiten ons, die verankerd ligt in Christus.
Jawel, Paulus heeft het onderpand des Geestes, Die getuigt dat hij een kind van de Vader is, dat er een „nochtans" en een „ondanks" is door alle zuchten van de schepping heen. Maar het is slechts een eersteling des Geestes en de gelovige zucht mee — hij kan het zelf niet eens! —, verwachtende de aanneming tot kinderen, de verlossing van het lichaam des doods. Verwachtende en toch bezittende (vgl. Rom. 8 : 23 met vs. 16).
We moeten ons ernstig afvragen waar onze blijdschap — en die der Pinkstermensen — vandaan komt: van het gevoelige gemoed of van het geloof. Plet geloof juicht door de duisternis heen, zoals Micha: „Wanneer ik in duisterniszal gezeten zijn, zal de Ileere mij een licht zijn" (vers 7).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1967
Daniel | 16 Pagina's