ZOMER
ZOMER Telkens weer worden wij herinnerd aan de bekende woorden, die de Heere sprak tot Noach: „Voortaan al de dagen deiaarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en
nacht, niet ophouden." Ongemerkt zijn de dagen gaan lengen, elke dag een klein stukje tijd, totdat de zon haar hoogste punt heeft bereikt. In het noordoosten komt de zon op, om ver in het noordwesten weer achter de horizon te verdwijnen. Lang duurt de schemer in onze streken en het schijnt wel alsof het licht niet scheiden kan. Er volgt na de zonsondergang slechts korte duisternis, want al heel vroeg begint de lucht in het noordoosten te kleuren, als de voorbode van de zon, die zich weer aan ons gaat
vertonen. Hoe schoon is de zonsopgang in de zomer! Jan Luyken moest het uitzingen:
De nare schaduw is aan 't breken, terwijl de schone morgenster haar blinkend hoofd komt op te steken en brengt de dageraad van ver. O zonne, heerlijk overtogen met purper van het morgenrood, zo koninklijk voor onze ogen, uw majesteit is schoon en groot.
En dan moet de dichter onwillekeurig denken aan de Zon der gerechtigheid:
Maar in het oost' van ons gelove verrijst een andre Dageraad, Die uwe schoonheid gaat te boven, hoogwichtig, zonder perk of maat. Als Die de schaduw eens doet wijken van 't grof verduisterd vlees en bloed, dan zal geen nacht ons meer bestrijken, gelijk zij hier op aarde doet.
(De Morgenschemering, uit „Gedichten uit de poëzietum van Jan Luyken", uitg. Pieters, Oostburg).
H. Marsman in „Tempel en kruis" bezingt zo'n morgen aldus:
De morgenwind ontrolt zijn schuimende banieren door het vervalend nagrauw van de nacht; de ochtend brandt in hemelsblauwe vuren, het sterrengruis bekoelt tot sintelende as de kreet der hanen scheurt het donker van de muren, het eerste verse bloed springt uit de flank der dag, en die in 't donker lag, hoort in zijn laatste dromen de vlucht der hinden nog, de herten van de nacht, schaduwen eeuwenoud en het verbond der bomen smelten als zwarte sneeuw voor 't schroeien van de zon; Abraham voert het vee van de verdorde stromen naar 't grazige gebied rond Mamre's eikenbron.
De lente is het beeld van de jeugd, de zomer tekent ons de volwassenheid. De zomer is het hoogtepunt in de natuur en er kan niets anders meer worden verwacht dan korten van de dagen en langzaamaan verwelken. De miens, in de zomer van het leven gekomen, heeft niet veel illusies meer; het moet nu bergafwaarts. Heel duidelijk horen we dat in een gedicht van J. C. Bloem in de bundel „Afscheid":
GURE ZOMER
Ononderbroken teisteren de dagen Een grauwe wereld, die geen zon bescheen, En met hun onverbiddelijke vlagen Regent de laatste hoop uit 't leven heen.
Op weg naar 't graf is men niet meer verbolgen, Men wacht gelaten wat het lot besloot En denkt aan 't enige wat nog kan volgen: Najaar en ouderdom, winter en dood.
Dit alles is heel triest. Heeft het leven dan niets voor hem betekend? En wat is zijn verwachting na de dood? Daarvan wordt met geen woord gerept. Het is somber tot op het bot toe, zonder de minste hoop.
Het gedicht „Zomermaan", ook van Bloem, is eveneens in mineur gecomponeerd; het is opgenomen in de bundel „Sintels".
Onvergelijklijk helder schijnt de maan. O jeugd, waar zijn uw hunkerende nachten En hun vervoeringen, hun wijde smachten? Vergaan Als dode zomers en verwaaide klachten.
Ternauwernood nog lokt het hiervandaan. Heen zijn de onstuimigheden, heen de krachten. Geen hoop kan dit bemantlen of verzachten, Geen waan
Dat een begin van 't eind nog is te wachten. Niets is er meer dan enkel te bestaan Bij de 't verleden zoekende gedachten, Als de verworpen doen en de verachten, Die aan 't Ontwrikbaar lot niet meer te ontkomen trachten.
De dichter Asaf begon zijn lied in mineur: Maar mij aangaande, mijn treden waren bijkans uitgeschoten. Het eindigt echter in majeur: Gij zult mij leiden door Uw raad en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1967
Daniel | 16 Pagina's