Gesprekken over de eredienst
Een voorlezer ?
Wij, jongeren
Sommige lezers stuurden ons een brief met verschillende vragen. Eén ervan gaat over de voorlezer in de kerk. „Waar een predikant op de kansel is, is daar een voorlezer-ouderling niet misplaatst? " In een andere brief lezen we juist weer: „Verder zien we in andere kerken (bij de Ger. Gem. niet, geloof ik) geen
voorlezers meer. De dominee of voorganger leest zelf het Schriftgedeelte, de Wet, enz. Is het niet beter dat er voorlezers zijn? Calvijn was toch ook voor voorlezers? "
Voor zover wij weten wel. En dat heeft hij dan van de eerste Christelijke kerk overgenomen. Ons lijkt het inderdaad een goede gewoonte. Dan is niet één man (de predikant) altijd aan het woord. En naar ons gevoel zit er iets moois in, als de predikant terugtreedt en ook zelf eerst luistert naar het Woord van God.
Maar wie er ook leest, — die Schriftlezing is een belangrijke gebeurtenis in de eredienst. Dus ook daar willen we even bij stilstaan. Als er voorgelezen wordt lezen velen in de kerk in hun eigen Bijbel mee. Als het goed is krijg je ook even tijd om het hoofdstuk op te zoeken, (dus niet onder het voorlezen van de Wet of de Geloofsbelijdenis!) Zelf meelezen verhoogt vaak de aandacht. Het kan natuurlijk ook dat het Woord beter tot je doordringt als je niet meeleest, maar gewoon luistert. Tenslotte wil het Woord gehoord worden, — meer nog dan gelezen. Was het Luther niet, die juist aan dat horen zo hechtte?
Maar alleen de Geest kan het toch verder brengen dan het oor? zegt iemand. Inderdaad gaat het Woord bij ons soms
het éne oor in en het andere uit. En toch.... Denk eens aan dc gelijkenis van dc zaaier. Er viel ook zaad langs de weg. Dan komt de duivel en hij neemt, zegt de Ileere Jezus, het Woord uit hun .... hart weg! Uit hun hart. Ja, het Woord komt bij ieder verder dan het oor, want het „is een oordeler deigedachten en der overleggingen des harten." (Hebr. 4 : 12). Het raakt ons hart. Het is alleen de vraag: alt liet zaad daar in goede aarde?
Zalig is hij, — zo besluiten sommige voorgangers daarom de Schriftlezing, — die het Woord hoort en bewaart! „Want d' opening van Uw woorden zal gewis gelijk een licht het donker op doen klaren!"
Voorbede gevraagd.
Dezelfde lezeres die de vorige keer over meezingen schreef, laten we nu nog even aan het woord over het gebed. Ze schrijft: „Na de Schriftlezing volgt dan het gebed, waarin de nood en ook de blijdschap van de gemeenteleden aan God voorgelegd wordt. Dit gebeurt zonder namen te noemen. Persoonlijk zou ik het prettiger vinden dat men vóór er gebeden werd, zei voor wie er gebeden wordt."
In sommige gemeenten wordt dat ook gedaan. Dan zegt de predikant: „De voorbede (of de dankzegging) der gemeente is gevraagd voor die-en-die, omdat....". Sommigen hebben er bezwaar tegen dat hun naam zo openlijk wordt genoemd. In dat geval noemt de predikant ook geen naam. Maar als regel lijkt het ons inderdaad beter om tc zeggen voor wie er gebeden wordt. Anders moeten de mensen tijdens het gebed gaan raden, op wie het slaat. Toen Petrus in de gevangenis zat, deed de gemeente voor hem een gedurig gebed tot God. Natuurlijk wist ieder voor wie dat was. Anders kun je zo moeilijk meebidden. Het valt ons telkens weer op dat wij in onze gemeenten er soms zoveel moeite mee hebben om eenvoudig en concreet voor anderen te bidden. De eerbied zit toch niet in ingewikkelde omschrijvingen, maar in de gezindheid van ons hart.
Nu wc het toch over de voorbede hebben, willen we daar nog even op doorgaan. Wat is het bemoedigend, als de predikant ook denkt aan dc „vergeten groepen". Dus niet alleen gebed voor de zieken, maar ook voor geestelijk gestoorden en krankzinnigen. Niet alleen voor militairen, maar ook voor studenten en verpleegsters. Niet alleen voor de ouders die hun kinderen laten dopen, maar ook voor kinderloze echtparen en voor moeders die in verwachting zijn. Niet alleen voor hen die „wettig verhinderd"' zijn, maar ook voor hen die dreigen de kerk de rug toe te keren. Niet alleen voor „gewas en arbeid" in ons eigen land, maar ook voor hongerend India. Niet alleen voor de overheid in Nederland, maar ook voor de groten der aarde, zoals b.v. president Johnson, die telkens voor zulke zware beslissingen staat. Niet alleen voor onze eigen gemeenten maar voor de „ganse nood der christenheid"!
In één van de genoemde brieven lezen we ook de vraag: „Is liet niet fout dat de Joden, dus Israël (beminden om der vaderen wil), ongeveer nooit in gebed en prediking bedacht worden? (als het gebeurt meestal in ongunstige zin)". Toch wordt ook dat wel gedaan. Gebed voor het oude Verbondsvolk. Wij hoorden het nog onlangs; nu de staat Israël van alle kanten door de Arabische volken bedreigd wordt. De kerk mag Israël nooit vergeten. Wanneer zal Israël de gekomen Messias erkennen?
Zo schieten wij allen in onze voorbede dagelijks tc kort. Gelukkig dat God Zelf bij voorkeur aan vergeten groepen denkt (dat waren in het O.T. speciaal de armen, de vreemdelingen, de wezen en de weduwen).
De kern van het gebed.
Maar het gebed mag niet enkel be-
staan uit voorbede voor andere mensen in nood. Ja, zegt iemand, we mogen onze eigen geestelijke nood niet vergeten. Inderdaad. Je hoort in sommige kerken gebeden, waarin de vraag om bekering en wedergeboorte niet meer voorkomt. Dat is heel erg. In het volmaakte gebed leert de Heere Jezus ons bidden: vergeef ons onze schulden, en: verlos ons van de boze! Je moet ook de prachtige formuliergebeden achterin je psalmboekje eens opzoeken en rustig lezen. Er staat boven: „gebed vóór de predikatie", „gebed na de predikatie", enz. Die gebeden beginnen telkens meteen ootmoedige schuldbelijdenis van de gemeente, die zó eindigt: „Waarom wij ook niet waard zijn Uw kinderen genoemd te wezen, noch onze ogen op te slaan ten hemel, om onze gebeden voor U uit te spreken." Maar dan volgt er ook: „Nochtans, o Heere God en barmhartige Vader, wetende dat Gij de dood van de zondaar niet begeert —, zo roepen wij U van harte aan, in het vertrouwen op onze Middelaar Jezus Christus, Die het Lam Gods is, Dat de zonde der wereld wegneemt". En dan volgt een indringend gebed om vernieuwing. Dit is de kern van het gebed.
Want dit is de kern van het Evangelie. Hier staan allen in de gemeente gelijk. In Gods heilig licht zijn wij allen — van onszelf uit — onrein. Onbekeerd of kind van God, — niemand van ons is liet waard om kind van God te heten. Dat staat hier. Dat moeten wij goed leren beseffen en blijven beseffen. Dat belijdt de gemeente in dit gebed dan ook voluit. Maar tot allen komt ook de verzekering van God: „Zou Ik lust hebben in de dood van de goddeloze? Nee, daarin heb ik lust dat de goddeloze zich bekere van zijn weg cn leve!" Op dat woord mogen wij in ons gebed God aanroepen. Op dat woord vlucht de gemeente in dit gebed tot de troon deigenade.
Bestaat de gemeente nu ineens uit enkel gelovigen? De practijk leert wel anders. En de Bijbel ook. Maar als er nu, na dit gebed, nog scheiding valt binnen de gemeente, ligt dat niet aan de Heere. Voor iedere zondaar is er raad bij het Lam Gods. Maar het ligt aan ons, als wij in ons gebed niet als zondaar willen buigen, en geen acht geven op zo'n grote zaligheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1967
Daniel | 16 Pagina's