Pinksteren
Pinksteren „Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwig-
heid: (Joh. 14 : 16). Let er op, hoe vriendelijk en troostvol de Heere Jezus hier spreekt voor alle arme bedroefde harten en vreesachtige en zwakke gewetens, en ons toont dat wij de Heilige Geest zullen erkennen, niet als een Geest des toorns en der verschrikking maar als een Geest der genade en der vertroosting en dat alzo de Godheid niets clan troost aanbiedt. De Vader wil troosten, want Hij geeft de Heilige Geest; de Zoon troost want Hij bidt daarom; de Heilige Geest zal Zelf de Trooster zijn. Hier is geen toorn, geen verschrikking voor de Christen, maar slechts vriendelijk lachen en zoete vertroosting in hemel en op aarde. Waarom dat? Wel daarom, wil Hij zeggen, gij hebt reeds beulen en cipiers genoeg, die u vrees aanjagen en u kwellen, juist omdat gij in Mij gelooft, van Mij predikt en Mij belijdt. De duivel zal u geen rust laten met zijn verschrikkingen en plagen; de wereld zal er ook bijkomen en u vermoorden of uit het land jagen, dat gij duivels genoeg zult hebben ook zonder alle duivels en helse pijnigers; bovendien uw eigen hart en geweten, dat daar jammert: wee, ik ben een arm zondaar en heb niet geleefd en gedaan gelijk een Christen leven en doen moest. De zodanigen wil Ik u niet geven noch om deze voor u bidden, maar wel dat u gegeven wordt een eeuwige Trooster, namelijk de Heilige Geest zelf, die u in al uw treuren, angst en nood kan sterken en uithelpen, dat gij deze dingen te boven komt en daarvan verlost wordt. Als ik dat weet, wat vraag ik dan nog of de duivel toornig is op mij? Hoe zou ik vrezen, als ik deze Heere heb, die mij belooft dat, zo ik in Hem geloof, ik de Heilige Geest bij mij zal hebben tot bijstand en troost en met Hem ook de Vader en de Zoon, daar de Vader zelf deze Trooster zendt en geeft, de Zoon bidt, de Hei-l lige Geest komt.
Zalig hij die dit weten kan. Maar daaraan ontbreekt het nog. Want de duivel is nog te machtig bij ons, de wereld te sterk en wij, wij zien zo vele hinderpalen en ergernissen voor ogen dat wij dit vergeten en niet kunnen vatten dat God ons deze vertroosting in het hart geeft. Want wij gevoelen slechts wat ons pijn doet. En dat is zo sterk, dat neemt de mens zo geheel in, dat hij aan deze woorden niet kan denken. Daarom wordt het een kunst voor de Christenen genoemd, die zij zullen leren, alzo alle verschrikking en droefheid te boven te komen, alle angst en wee en te zeggen gelijk de profeet: „wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God!"
Luther.
In doodsgevaar en bange nacht, In strikken en in zonden, Heb 'k van een Held mijn hulp verwacht, En 7c heb Hem trouw bevonden.
In 't dal der schaduwen des doods, In doodsgevaar en strikken, Heeft Jezus zelf mij bijgestaan, Wou Hij mijn ziel verkwikken.
Dies noem ik Ilem zo goed als groot, Voor hen, die op Hem bouwen, Mijn hulp, mijn toevlucht in de nood, De Rots van mijn betrouwen.
Wie in de zonde leeft en toch op de zaligheid blijft hopen, is gelijk aan een mens, die onkruid zaait en gerst of tarwe denkt te oogsten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1967
Daniel | 16 Pagina's