Een rubriek voor en van onze jeugd
Ons werk in de jeugdverenigingen, waarheen en hoe?
(2)
U vraagt zich waarschijnlijk af: ja, maar wat denkt U b.v. van de provo's. Ik zie daarin allereerst de drang van de jeugd om het anders te deen dan wij ouderen het hebben gedaan, maar ook een verschil in ideeën tussen 2 opeenvolgende geslachten. Het verschijnsel provo is de laatste tijd vermoedelijk wat overtrokken en die werkelijk provocerende jeugd maakt maar een klein percentage uit van het totaal. Wat betekenen nu enkel honderden — misschien uit het gehele land bijeengetrommelde — provo's op een bevolking van Amsterdam van bijna 1 miljoen mensen. Een groot deel van hen zijn dan nog maar meelopers, die een „relletje" wel leuk vinden. Als zij echter onder goede leiding hadden gestaan, waren ze misschien niet eens bij d.ie groep terechtgekomen. De ouders zijn er in veel gevallen zelf de schuld van dat de kinderen verongelukken, doordat ze te weinig thuis zijn en laten het toezicht aan oudere broertjes of zusjes over. Ik vind, dat onze jeugdverenigingen al heel nuttig werk doen als ze de jeugd van de straat houden, ik heb het doel dan al voor 50 °/o bereikt.
Tegenover de groep van de provo's ken ik gelukkig ook nog een heel wat groter groep van ernstig werkende jongelui, die door het behalen van diploma's wat willen bereiken in het maatschappelijk leven en bereid zijn daarvoor, soms zelfs zeer zware, offers te brengen. Die groep denkt ernstig na over maatschappelijke problemen, waaraan men in onze kerk vaak al te gemakkelijk voorbij gaat. 'k Geloof echter, dat ook de kerk zich bezig moet houden met de studie daarvan, daarin zelfs leiding moet geven. Als voorbeeld noem ik de trek van het platteland naar het industriële centrum van ons land met als gevolg het samenbrengen van grote bevolkingsgroepen op een kleine oppervlakte. Dit blijkt b.v. als de plattelandsjeugd in een grote stad als Amsterdam terecht komt. Daarnaast noem ik het doordringen van de stad op het platteland door het vormen van grote recreatiegebieden in Zuid-West Nederland i.v.m. het Deltaplan. De bevolkingsgroep van de Ger. Gemeente, die juist in dit gebied een groot deel van de bevolking uitmaakt kan en mag zijn ogen daarvoor niet sluiten omdat die problemen ons diepste innerlijk raken. De leiders van de jeugdverenigingen zullen daarbij zelfs vooraan moeten gaan om leiding te geven. De jeugd, waarover ik het had, houdt zich niet uitsluitend bezig met maatschappelijke en/of wetensch. problemen, maar denkt ook ernstig na over godsdienstige vraagstukken. Ik zie dat bij een groep jongeren van ca. 20 jaar van verschillende kerkelijke richtingen, verenigd in het C.S.F.R. Juist het contact met mensen van andere kerkelijke richtingen is m.i. een groot voordeel, omdat men gedwongen wordt zich er rekenschap van te geven wat men denkt en belijdt, omdat ze onze zwakke plekken proberen te vinden en ons daarop aanvallen en dan moeten we ons kunnen verdedigen.
Totnutoe heb ik me bezig gehouden niet het constateren van verscheidene feiten, 't wordt nu tijd die conclusies toe te gaan passen op het werk in onze verenigingen. Als we gaan kijken hoe het soms toegaat op onze knapen-en meisjesverenigingen (mag ik tussen 2 haakjes een pleidooi houden voor het zoeken van een nieuwe naam. Dat „knapenvereniging" herinnert me teveel aan de tijd van Hieronymus van Alphen, de tijd van de „brave hendrikken, " iets wat onze jeugd terecht niet meer wil en waar wij, gezien onze belijdenis, ook niet aan mee kunnen werken), dan ben ik bang, dat op vele verenigingen de leider teveel aan het woord is en dat de jongens met meer of minder interesse mogen en moeten luisteren. Om het dan zo goed mogelijk te doen behandelt men een onderwerp uit de Bijb. Gescn., afgewisseld met een bespreking of toelichting van een artikel van de Geloofsbelijdenis en/of vragen uit de Catechismus. Ik weet dit uit de praktijk. Nu is het natuurlijk goed de jongens daarvan kennis bij te brengen, maar dat is allereerst de taak van de catechisatie, daarnaast gebeurt het op school, in de kerk en — als het goed is — ook in het gezin en dan moeten we ons wachten voor overdrijving, want als we ons niet houden aan het spreekwoord, „Overdaad schaadt" en we gaan onze kinderen met godsdienst overvoeren, krijgen ze er genoeg van en gaan het juist in het andere uiterste zoeken. Hitier zei in-
dertijd: „Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst." Dit geldt ook voor ons, de jeugd zijn de toekomstige leden van de kerk, ook de leiders in de kerk en we moeten er dus wel voor zorgen goede toekomstige krachten niet te verliezen.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1967
Daniel | 16 Pagina's