Gij zijt de bron (1)
Toen niets nog was dan dikke duisternis
rondom de aarde, uit het niet geboren
(o wonderbaar en groots geheimenis!),
klonk 't machtig Woord en zongen hemelkoren.
Het duister week voor 't onverwachte gloren
van 't helle licht, dat 't groot heelal doorscheen.
Het sterrenlied schald' in Uw heilig' oren
en drong door mateloze ruimten heen.
Miljoenen stemmen juichten voor die Eén,
Die op Zijn wenk Zijn grootheid openbaarde,
in 't vloeiend water en in harde steen,
in diamanten, parels groot van waarde;
Die leeuwerik en nachtegaal besnaarde,
de Wagen leidde en de Orion
en mensen leven deed in Edens gaarde.
Van al wat wezen kreeg zijt Gij de bron.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1967
Daniel | 16 Pagina's