JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Gesprekken over de eredienst

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gesprekken over de eredienst

6 minuten leestijd

Wij, jongeren

Een jeugdvereniging schrijft

Onze voorraad brieven is nog niet op. Een jeugdvereniging schrijft: „In de „Daniël" van 10 maart schrijft U over de functie van de wet in de eredienst. Op onze J.V. hebben we uitvoerig gesproken over dit onderwerp. We kcjmen tot een drieërlei functie: le is de wet tuchtmeester tot Christus, 2e dient zij tot handhaving van de openbare orde, 3e regelt zij het leven deigelovigen (in hun leven is het: och, of wij Uw geboön volbrachten). Wij menen dat de eerstgenoemde taak niet uit de verf is gekomen in het artikel. God bedoelt met Zijn wet ons welzijn, dat geloven wij van harte; maar buiten Christus is Hij een verterend vuur en een eeuwige gloed bij wie niemand wonen kan. Dan zijn we door de kleinste overtreding tegen één van Zijn geboden schuldig aan alle.

Volgens uw artikel is de prediking christencentrisch; maar de rechte prediking is toch Christocentrisch. Bij een zodanige prediking is een scherpe wetsprediking onmisbaar. Als tuchtmeester tot Christus doodt de wet, maar ten leven. Wet en Evangelie moeten toch onderscheiden gepredikt worden. Dit is toch geheel in de lijn van Calvijn; we hebben als handleiding geraadpleegd deel IV, de decaloog, van het Gepredikte Woord (preken van Calvijn).

Werden wij allemaal als een Obadja of Timotheiis geboren, dan zou de eerstgenoemde functie niet belangrijk zijn; imaar Gods Woord leert dat wel anders. Gaarne zullen we hierover nog iets vernemen in „Daniël".

Tot zover deze brief.

't Is goed voor mij . . . ."

Deze jeugdvereniging willen wc hartelijk bedanken voor haar brief. We hadden niet durven hopen dat onze artikelen wel eens „uitvoerig besproken" zouden worden! We willen graag op de sympathiek naar voren gebrachte kritiek ingaan. Eigenlijk hoeven we alleen maar te antwoorden dat we het in hoofdzaak met de brief eens zijn. De genoemde drie functies van de wet hebben wij in ons artikel toen ook verwerkt. Dat de wet kenbron der ellende en tuchtmeester tot Christus is, stond er uitdrukkelijk in. Wanneer de Iieere de spiegel van Zijn wet in ons hart opricht en ons bij het licht van Zijn Heilige Geest in deze spiegel doet zien, dan leren wij uit de wet onze zonde en ellende kennen, zoals Paulus schrijft in Rom. 3 : 20. Daarom schreven wij in ons vorig artikel: De wet wil ons brengen tot het eerlijke bekennen van onze zonden". En we noemden als illustratie Calvijn die in Genève in de kerk eerst de wet voorlas en dan de genadeverkondiging uitsprak. Maar deze brief, zo begrijpen we, wil nu dat wij meer nadruk leggen op een scherpe wetsprediking. En dat dit nodig is staat duidelijk in de Catechismus: Waarom laat God ons dan zo scherp de 10 geboden prediken, als toch niemand ze kan houden? " wordt daar gevraagd. Maar laten we dan ook goed op het antwoord letten: Ten eerste, opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn cm de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken"! Het mag dus nooit een scherpheid zijn die ons afschrikt om God te zoeken! Dat moet voorop staan. „Ik ben goeder-

tieren", zo verzekert de Heere ons (Jer. 3), „alleen — ken uw ongerechtigheid", liet doel van de wetsprediking is niet dat wij van God zullen terugschrikken, maar dat wij ons diep voor de Heere zullen verootmoedigen. De jeugdvereniging noemde Calvijn. Omdat wij de genoemde preken niet in bezit hebben, hebben we zijn Institutie maar opgeslagen. We lezen daar: door het onderwijs van de wet laten wij onze dwaze aanmatiging tegenover God los; zo moeten we ook van onze hoogmoed genezen worden. En dan tekent hij onomwonden al het kwaad dat in ons huist. Dat gaat inderdaad dwars tegen onze (zondige) natuur in. Maar let op de woorden die hij gebruikt: zo verlost God ons al van die dwaasheid, zo geneest Hij ons al van die ziekte. Door dat doel voor ogen te houden kun je „ingewonnen" worden voor Gods heilige wet. Als de Heere ons zó wil verlossen en genezen, — Iaat het ontleedmes van Zijn Woord dan maar zijn gang gaan. Als de liefde tot Hem is gewekt, dan horen we naar de vermaning: een ieder bedenke zijn zonden en vervloeking. Want deze prediking, zegt Calvijn verder, „geschiedt niet opdat wij in wanhoop zouden bezwijken, en de moed opgevend, in het verderf storten", maar opdat wij „naakt en ledig tot Zijn barmhartigheid zouden vluchten"! Nu begrijpen we de Catechismus nog beter: hoe meer wij dooide wet onze zondige aard leren kennen, lazen we daarin, des te begeriger worden we naar het Evangelie. En nadat we gezongen hebben van loutere goedheid en liefde-koorden, belijden we weer des te inniger:

Wil mij, Uwen Naam ter eer, Al mijn euveldadn vergeven. Ik heb tegen U, o Heer, Zwaar en menigmaal misdreven..."

Opdat Hij niet toorne

Is God dan geen verterend vuur? Dat staat toch in de Bijbel? Laten we er goed op letten hóé en wannéér Hij zo genoemd wordt. In Jesaja 33 zijn het „de zondaren te Sion en de huichelaars", die verschrikt aan de profeet vragen: „Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? " En dan antwoordt Jesaja, dat wie zich bekeert, juist veilig zal wonen! De kanttekening hierbij zegt: zij hebben geen oorzaak om te klagen over Gods gestrengheid, maar wel over hun goddeloos leven. En Jesaja voegt bij zijn oproep ook de belofte: „Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid!"

Maar ook in Hebreen 12 lezen we de ontzettende woorden: onze God is een verterend vuur. Maar het zijn de laatste woorden. Eerst is de rijkdom van Gods genade aan de twijfelende Hebreërs verkondigd. In geen enkele brief wordt de Heere Jezus Christus als Hogepriester zó aangeprezen. En in het hoofdstuk zelf staat er zelfs dit: gij zijt niet gekomen tot de Sinaï, maar tot de berg Sion, en tot God de Rechter en tot de Middelaar van het Nieuwe Testament en het bloed der besprenging. Ziet dan toe dat gij Hem niet verwerpt. Daaruit blijkt dat deze brief ons allen aanspreekt. En dan komt die ernstige waarschuwing. Want wie geen acht geeft op zo'tl grote zaligheidl moet het weten: onze (!) God is een verterend vuur. En onwillekeurig denken we aan de psalm:

Kust de Zoon, opdat IIij niet toorne!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1967

Daniel | 16 Pagina's

Gesprekken over de eredienst

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1967

Daniel | 16 Pagina's