Gesprekken over de eredienst
Belijdenis doen
Ook deze keer weer een brief. Een lezer schrijft:
„In uw laatste artikel (nr. 19 van 24 mrt.) over de geloofsbelijdenis sneed u precies een punt aan, waar bij mij veel vragen rijzen zonder op alle een antwoord te weten. Eén ervan is; wanneer wij openbare belijdenis afleggen wordt er van ons gevraagd of wij de twaalf artikelen ten volle onderschrijven. Met het geloof dat hierin wordt genoemd, wordt toch alleen het ware, zaligmakende geloof bedoeld (zie Filippus en de Moorman). Mag ieder dooplid als hij volwassen geworden is, dan belijdend lid worden, want de Bijbel zegt: wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden.
Ook boven het formulier van de H. Doop staat zo mooi en duidelijk: „Formulier om de li. Doop te bedienen aan de kleine kinderen der gelovigen."
Iedere zondag zegt een ieder in zijn hart aldus: „Ik geloof' enz.
Wordt er in onze gemeenten echter Avondmaal gehouden dan zijn er maar enkele gelovigen en toch hebben velen belijdenis gedaan en hebben hun kinderen laten dopen, waarbij ze clan wel „ja" durven zeggen. En bij het H. Avondmaal, waar ook de 12 artikelen worden voorgelezen als belijdenis, blijven de meesten in de bank zitten.
Welke waarde wordt er door de Geref. Gemeente aan de belijdenis gehecht? Kent men ze geen waarde toe, welke zin heeft ze dan? Of heeft ze dezelfde waarde als de volwassendoop? Maar dan mag men toch wel aan het H. Avondmaal, als men op deze 5 vragen ja kan zeggen.
Dit waren de vragen die wel niet direct verband houden met de liturgie, r cle eredienst maar voor mij toch erg belangrijk zijn. Ik hoop dat ik van u een eerlijk antwoord krijg op grond van de Bijbel, zonder dat het eerst is afgerond voor de Ger. Gem."
Zo eindigt deze briefschrijver. Hoe?
Inderdaad houdt deze brief niet direct verband met de liturgie. En daar hadden we het over. Maar we hebben zelf en tot deze vragen: we hadden immers geschreven dat de „12 artikelen des geloofs" oorspronkelijk een doopbelijdenis waren. Daarom willen we graag proberen op deze openhartige brief in te gaan.
Maar laten we met elkaar afspreken dat we niet zo maar in het algemeen gaan praten over bepaalde situaties en opvattingen in onze gemeenten. Dan laten we onszelf zo gauw buiten beschouwing. En ieder van ons staat juist persoonlijk voor de vraag: mag ik belijdenis doen? mag ik aan het H. Avondmaal gaan? Uit gesprekken van jonge mensen onderling blijkt ook telkens weer dat velen ernstig en persoonlijk met deze vragen bezig zijn. Dat alleen al maakt je blij. Er wordt door jongeren geworsteld om cle zaak van het geloof. Laat niemand van ons daarbij achterblijven. Want je hebt het Woord aan je kant, als je niet met minder tevreden bent clan met het echte, levende geloof, — hoe klein ook. Dan is belijdenis doen cle begeerte van je hart. Dan mag je verder kijken: dan krijgt je met Gods goedkeuring ook toegang tot het Heilig Avondmaal.
In sommige kerken is dit een vanzelfsprekende zaak geworden: je gelooft, je doet belijdenis, je gaat ten Avondmaal. De gereformeerde ds. Overduin heeft onlangs in zijn eigen kerkformatie ge-
waarschuwd tegen dit gevaar: hij noemde het ronduit brutaliteit.
Maar dreigt in onze gemeenten niet een ander gevaar? Je doet wel belijdenis, maar het zaligmakende geloof (en dus het Avondmaal) is zo onbereikbaar ver, dat je daar niet eens over denkt. Sommigen verlangen er wel naar, maar anderen gaan er ontstellend makkelijk aan voorbij. Je wilt toch ook wel eens van de catechisatie af.... Dan is het vanzelfsprekend geworden dat je het geloof niet kent en niemand verwacht dat ook van je. Maar wie daar ook genoegen mee neemt, — de HEERE niet! De Iieere ziet naar ons hart, als we belijdenis doen. De Heere Jezus vroeg aan Petrus: hebt gij Mij lief? En Petrus, al was hij z'n zelfverzekerdheid kwijtgeraakt, antwoordde: Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb!
Maar moet je dan „bekeerd zijn? " vraagt iemand. En wie kan dat volbrengen wat je daar allemaal belooft? zegt een ander. Lees dan Micha 6 eens. „Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is. En wat eist de Heere van u dan — ootmoedig te wandelen met uw God? " De Heere vraagt alleen: „Mijn zoon, mijn dochter, geef Mij uw hart!"
Nu niet redeneren. In Jesaja 55, dat hoofdstuk over de nodiging tot het heil, zegt de Heere tot „onbekeerden" (lees vers 2 maar!): „Hoort aandachtig naar Mij, — en uw ziel zal leven". Dat woord wekt in ons hart de keus voor de Heere. Ja, een keus, dat is belijdenis doen. En dat is Bijbels. Eén van de mooiste voorbeelden in de Bijbel vinden we bij Ruth. Ruth kiest voor het volk en de God van Naomi. Naomi zei eerst: ga maar terug. Misschien wil iemand jou er ook wel vanaf houden: verbeeld je maar niet. .. . Maar Ruth zei: „Val mij niet tegen" en dan volgt haar indrukwekkende belijdenis: „Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God!"
Ook in het N.T. hebben we een voorbeeld. Als de Heere Jezus de discipelen voor de keus stelt: „Wilt gij ook niet weggaan? " legt Petrus zijn belijdenis af: „Heere, tot wie zullen wij heengaan? Wij hebben geloofd dat Gij zijt de Christus!" Ook Petrus' belijdenis was dus een keus. Wie het zo ziet, ziet het dus wel Bijbels. En wat de Geref. Gemeenten betreft: ken je de lezing van ds. H. Rijksen? Daarin staat het (op bl. 13) ook zo!
En de voUcassendoop?
Nu vraagt de briefschrijver ook naar het verband tussen belijdenis doen en
de volwassendoop. Is dat niet hetzelfde? We vinden dat een moeilijk probleem. De vragen die gesteld worden bij het belijdenis-doen (clat zijn bij ons meestal de vragen van Voetius) verschillen wèl van de vragen bij de volwassendoop. De eerstgenoemde vragen meer of wij instemmen met de leer, de laatste vragen allereerst of de volwassene die gedoopt zal worden gelooft dat hij een kind van God is. Maar we mogen hier geen tegenstelling van maken! Je mag nooit zeggen: als je belijdenis doet, gaat het alleen maar om „historisch" geloof. Wil je dan toch je hart ver houden van de Heere? Als dat zo is, kun je het ook niet eens zijn met de leer! Want wat „leert" de Bijbel ons? „Zoek de Heere, terwijl Hij te vinden is." De leer van de Bijbel wil ons bij de hand nemen: Hosea b.v. wil het op ons hart binden: „Neemt deze woorden met u", zegt hij, „en bekeert u tot de Heere. Zegt tot Hem: neem weg alle ongerechtigheid en geef het goede. Zo zullen wij betalen de varren onzer lippen." Bij het belijdenis-doen geldt ook wat Filippus zei vóór hij de moorman doopte: „Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd." Maar dat geloof begint bij jongeren die in de vreze des Heeren zijn opgevoed vaak meer met de keus voor de dienst des Heeren. Het is alsof de belijdenis-vragen daar rekening mee houden. Dat moedigt ons aan. En iemand die plotseling uit de duisternis van de wereld is overgebracht tot Gods wonderlijk licht, heeft vaak ineens ook meer weet van zonde en genade en meer kennis van Christus. Daarover
spreken de vragen bij de vohvassendoop meer. Maar daar wil het Woord ook de anderen brengen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1967
Daniel | 16 Pagina's