Gesprekken over de eredienst
Gesprekken ove Nu zijn er een paar brieven binnengekomen! We willen de schrijvers daarvoor eerst hartelijk bedanken. We hopen dat er zo een levendig gesprek kan komen over het kerkgaan. We hopen daarom ook dat er — na deze eerste — vele brieven zullen volgen.
Geheel vooraf
De eerste schrijver vraagt in zijn brief: „Graag zou ik Uw mening horen over het begin van de dienst, n.1. gezamen-lijk stil gebed van de gemeente, dat onlangs bij ons is ingevoerd. Voordien was het gewoonte je gebed te doen zodra je in de kerk kwam. Deze verandering geschiedde omdat het niet meer eerbiedig was, als je je gebed deed met al dat geloop van binnenkomende mensen. En als ze wachten moesten gaf dat oponthoud. Maar toch vind ik dit ook niet eerbiedig: allen tegelijk opstaan (de mannen tenminste) en maar gauw weer gaan zitten, want de anderen doen het ook al en de predikant beklimt de preekstoel al, of je nu klaar bent met je gebed of niet."
wIJ, JONGEREN
Ja, hoe moeten we dit stille gebed zien? Het is goed om Gods zegen te willen vragen zodra wc in Zijn gemeente komen. Maar ja, .... we zitten niet alléén in de kerk. We komen ook niet allemaal tegelijk binnen. De mensen blijven lopen. Het orgel speelt. Hier gefluister, daar geknip met tassen. Zó worden we óók in ons gebed afgeleid. Vooral ook als er iemand kan staan te wachten tot hij de bank in kan. En gaat de dienst beginnen, dan komt de kerkeraad binnen.... en dan doen zij hun gebed, — in sommige gemeenten zelfs onder het zingen. Is dat eerbiedig? Zouden zij ook niet afgeleid worden?
Het is daarom goed — dachten we — om het stille gebed als gemeente samen r de eredienst te doen. En dc dominee wacht tot ieder zit. 't Is wel een beperkte tijd. Maar, niet in de kerk hoeft ons bidden om de H. Geest en een ontvankelijk hart te beginnen. Begint de voorbereiding op de preek niet al eerder: thuis? Dan kan ons gebed vóór de dienst — net als bij de prediking trouwens — kort zijn, als een teruggrijpen op ons bidden vooraf. En is het juist niet mooi als ons gebed overgaat in het gezamenlijke: „Onze hulp is in de Naam des Heeren"?
De kerk en onze vragen geren De volgende brief is van een jongen, die ons veel persoonlijke dingen schreef waarop we hier niet kunnen ingaan, maar waaruit wij één zin lichten, die volgens ons van algemeen belang is. Hij schrijft daar: „De preek is voor mij vaak een goede preek geweest, maar ik heb op het ogenblik zeer indringende problemen en vra-
gen die totaal niet aan bod komen en die toch pertinent met mijn persoonlijke verlangen om een kind van God te zijn samenhangen."
Dat kunnen wc goed begrijpen. Hopelijk kunnen jullie je deze moeilijkheid ook wel indenken. En waarschijnlijk zegt iemand wel: dat is bij mij precies zo. Ik loop met vragen waar de prediking eigenlijk niet op ingaat.
Welke vragen dat zijn? Dat ligt bij ieder weer anders. Maar een predikant die echt met de mensen en speciaal met de jongeren omgaat, zal die vragen wel kennen. En hij zal er ook op ingaan. Misschien niet altijd in de preek. Dat kan ook moeilijk met problemen die b.v. alleen bij de studerende jeugd leven. Maar die kunnen dan beter en diepgaander besproken worden in kleine kring. De catechisatie of een vereniging (of een zomerkamp!), en niet te vergeten het huisbezoek zou daar heel geschikt voor zijn. Wij mogen al die vragen in elk geval niet uit de weg gaan. En we mogen ook niet zeggen: och, joh, één ding is maar nodig. Want de briefschrijver zegt het zelf duidelijk: al die vragen kunnen juist heel nauw samenhangen met het „éne nodige"! Daar hebben we een Bijbels voorbeeld van. De bekende Asaf zit met de vraag: waarom gaat het de goddeloze mensen zo voor de wind? Maar dat probleem raakt direct zijn verhouding tot God. Hij kan nu in zijn gebed God niet meer vinden. Hij is zelfs opstandig tegen God! En pas als zijn probleem opgelost wordt — in het heiligdom valt zijn kortzichtigheid weg — breekt het geloof weer door: „Gij hebt mijn rechterhand gevat!"
Welke vragen kunnen ons al niet bezighouden! Vaak ook — net als bij Asaf — de vraag naar Gods regering. Waarom laat Hij dit leed, dat onrecht toe? Of: gaan alle heidenen nu werkelijk verloren? Of vragen over de kerk: hoe kunnen Christenen, kinderen van God, zich zó hard of bekrompen gedragen. De briefschrijver zegt zelf: waarom doen onze gemeenten zo weinig aan de noden in de wereld? zien zij die nood wel? En heeft men wel oog voor het wereldwijde werk van de II. Geest, ook in andere landen en andere kerken? Of vragen over de Bijbel: moet je nu ook aan al die wonderen geloven? Of: wat moet ik van die psalmen denken die Gods wraak afbidden over de goddelozen? Of: is het scheppingsverhaal wel betrouwbaar? Of vragen over het geloof: is God er wel? Komt het geloof niet gewoon voort uit het verlangen van de mens naar veiligheid en zekerheid? Is bidden niet enkel een spreken met.... jezelf?
Al deze vragen kunnen ons grondig schudden. En ze houden je juist bezig in de kerk. Je hoopt er antwoord te vinden. Want de prediking liet je niet los. Maar je voelt het: dat vindt men hier geen probleem, niets is hier zo vanzelfsprekend als juist het „historisch" geloof. Ze moesten eens weten wat er in andere kerken, wat er in de wereld aan de hand was! —
De Schrift en onze vragen
Het is niet mogelijk om in een half artikel op al die vragen werkelijk in te gaan. Dan zou het toch lijken of al die problemen niet zo moeilijk zijn op te lossen. Eén ding willen we ervan zeggen: er zijn maar weinig vragen die in de Heilige Schrift niet „aan bod" komen! Ja, met misplaatste problemen maakt de Schrift korte metten. „Hoe weinig mensen worden er eigenlijk zalig? " vraagt iemand. Dan zegt Jezus alleen: strijdt liever allemaal om in te gaan! Maar hoeveel plaatsruimte wijdt de Schrift niet aan de man, die niets meer begrijpt van alle ellende die hem overkomt: Job! Een ander Bijbelboek gaat over iemand — nog wel een kind en een knecht van God! — die het heil wil reserveren voor zijn eigen groep: Jona. Terwijl de Heere bewogen is over de wereldstad Ninevé! Een zeer groot hoofdstuk in de Corinthebrief (15) be-
steedt Paulus aan enige lezers, die niet kunnen geloven dat er een opstanding der doden is. En in de psalmen zie je mensen worstelen met het probleem dat God Zich verborgen houdt en niet antwoordt. De Schrift — nee, Gód kent alle vragen die in een mensenhart kunnen opkomen. En als de grote zielszorgcr vraagt Hij dan in Zijn Woord vaak eerst: wat scheelt eraan? Zo ging Jezus naast de Emmaüsgangers lopen en vroeg: waar lopen jullie toch zo druk over te praten? en „waarom ziet gij droevig? " En zo vroeg de Heere aan Elia, toen die levensmoe Zaterdag 22 in een april spelonk zat: „Wat maakt Ezech. gij hier, 11 Elia? " En Matth. God liet 7 : hem 1-20 helemaal uitspreken, zijn hart uitstorten. Dan krijgt hij nieuwe taken. De Emmaüsgangers worden weer vermaand: o, onverstandige mensen, toch! Job wordt weer anders benaderd. God stelt hem enkel een tegenvraag: waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? En dan buigt de kleine, zondige mens voor de grote God.
Zo zie je, problemen zijn vaak algemeen voorkomende problemen. Maar de echte zijn toch ook weer heel persoon-
lijk. Zij vragen ook om een persoonlijk antwoord, nog beter: om een persoonlijk gesprek. Zoek die gesprekken. Zoek die voorgangers die net als Jezus naast je gaan lopen op de weg en soms al aan je gezicht zien wat er aan de hand is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 april 1967
Daniel | 16 Pagina's