Over het lijden van Christus
Over het lijden van Christus Nu wij in de lijdensweken zijn, ligt het voor de hand, dat wij poëzie citeren, die met het lijden van Christus in verband staat. Het kan slechts een greep zijn, want er is de eeuwen door veel over Christus' borgtocht geschreven. Wie heeft nooit gehoord van hei grote gedicht „Goede Vrijdag, ofte het lijden onzes Heeren Jezus Christus" van Jeremia de Decker (1609— 1666)? Daarin komen de bekende regels voor:
Ik hoor de spijkeren met ijselijke slagen door hout en handen jagen: 't Geklop gaat overhand; dc wreedheid treft bij beurt dan d' een dan d' ander hand, nu zal ze gaan aan 't hout de tere voeten hechten: daar smijt ze door de rechten, daar door de linkse heen; ai mij! wat slaan is dat! dat knerst door vlees en been.
En wie kent niet „Christus op Golgotha" van Jan Luyken, o.a. te vinden in het onlangs uitgegeven bundeltje „Gedichten uit dc poëzietuin" van Jan Luyken (uitg. Pietcrs, Oostburg)? Dat begint met deze schone regels:
Wie hang daar zo deerlijk, geteisterd, geschonden, Roosvervig vol striemen en wonden, Tot smaad en tot schande aan 't kruishout verheven, Wat heeft Hij, wat heeft Hij misdreven?
Een ander gedicht van Luyken is „Samenspraak tussen de gelovige ziel en Christus", dat hier in zijn geheel volgt:
De gelovige ziel: Mijn lief, ik moet van heter minnen wenen:
Hoe zijt gij zo bezweet, En waarom zien uw klederen als enen Die in de wijnpers treedt? Als van een berg de waterbeken stromen, Mijn Lief, mijn alderschoonste Heer, Zo vloeit dat bloedig purper neer Tot in uw zomen.
Christus: Daarom, o Bruid, zijn overal mijn leden Mijn klederen zo rood, Dat ik de pers allene heb getreden: 't Is 't bloed dat ik vergoot Uit min om uw versmachte hert te drenken, Mijn duif, mijn alderliefste Bruid! Staat op en gaat u zeiven uit, Ik zal !t u schenken.
De gelovige ziel: Ach, bloedt gij zo om mijnentwil, mijn Vol liefde, vol geduld? Iioe zou ik dit in eeuwigheid belonen, Hoe diep raak ik in schuld! Waar hebt gij mij, onwaarde, toe Ik ben van uwer minne krank: Nu laaft mij met dien zoeten drank Mijn Lief, mijn Leven! Schone, verheven!
Jan Luyken heeft veel over het lijden van Christus geschreven. Wij zullen besluiten met het volgende schone gedicht:
Daar is een bron ontsprongen van Liefde uit Gods troon, uit 's Vaders hart gedrongen, gegoten door de Zoon: Hij welt en straalt en vloeit zo schoon, de geest vaart uit de hoogte, om 't dorstig hart te noön.
Komt al tot Mij, o mensen, komt al die dorstig zijn, Ik ben naar 's Geestes wensen een levende Fontein. Komt al tot Mij en drinkt om niet, dit is het eeuwig leven, dat uit mijn wonden vliet.
Ik ben voor uwe zonden als water uitgestort en als een druif bevonden, die uitgewrongen wordt: dit is de loon van al mijn smert, dat gij maar komt genieten, dat u geschonken werd.
Wie van mij heeft gedronken, die dorst altijd naar Mijn, Mijn Vader heeft geschonken
zijn allerbeste wijn. Wie die verzuimt blijft in de dood en mist het eeuwig leven, die scha is al te groot.
Nu wilt niet langer beiden, o ziel, treed aan, treed aan, eer d' aangename tijden des levens ons ontgaan. Geloofd zij God in eeuwigheid, Die zulk een Bron des levens de ziele heeft bereid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1967
Daniel | 16 Pagina's