Schel vertier, hebzucht en heimwee
Schel vertier, hebzucht en heimwee (Uit „Gemartelde aarde" van Beversluis)
Op „Gemartelde aarde" moet ik nog wel terug komen. Er is, dacht ik. in de laatste jaren door geen dichteres of dichter zó afkeurend over cle mentaliteit van de doorsneemens geschreven dan in deze bundel van Beversluis. In het vorige artikel is daarop al gewezen. Daar was het: „De mens der massa vraagt: wat is het leven? " En het antwoord was: „Wat is het anders als een spel der zinnen? "
Er is een grote verveling over de mens gekomen. Hij kan alles aanschaffen wat hij wenst en niets bevredigt. Er is geen werkelijke rust in het vergankelijke. En toch eist de ziel bevrediging; het lege hart moet gevuld, net als de steeds hongerende mond. Maar er is uitkomst! Beeld en muziek de hele dag door in de woonkamer. Je hoeft niet meer naar het concertgebouw of naar de bioscoop; het kan alles thuis worden beleefd.
In sonnet 42 schrijft Beversluis hierover:
Maar om 't verveelde toch nog te vermooien heeft hij zijn lusten en zijn schel vertier, beeld en muziek als vogels in hun kooien, zit hij daarvoor als een gevangen dier.
Merk hierbij op „schel vertier, " dat is geen goede verstrooiing; het beeld en de muziek zijn als vogels in hun kooien, dus niet natuurlijk; een vogel hoort niet in de kooi, maar in de vrije, ruime atmosfeer. Verder staat er dat de mens als een gevangen dier zit bij zijn beelden en zijn muziek. Hij is er slaaf van geworden en kan het niet meer missen, zoals een drinker het drinken niet meer kan laten. Het sonnet gaat verder:
En meent, hij kan zijn geest nü eerst ontplooien door heel de wereld in dit klein vizier. Iiij meent de zee te zien, maar al dat mooie is een verslibd' en smalle zijrivier.
Nu zal mijn geest verrijkt worden, denkt de mens, want ik heb alles onder mijn bereik. Merk op dat er staat: hij „meent" de zee te zien, maar het is de werkelijke zee niet, dat wonder van Gods schepping; het is slechts een smalle zijrivier en dan nog zonder water, want de stroom is verslibd.
En dan volgt het sextet (de zes regels als slot van een sonnet):
Op duizend daken heffen hoog en spreiden cl' antennes zich, een draaiend poovre knop doet deze wondren door hun kamers glijden, hun zinnen volgen, vangen die galop. Maar niet als horens eens in d' oudste tijden, die vingen nog het bovenzinn'lijke op.
In sonnet 47 gaat het over de onrust van de mensheid. Men raast over de wereld en door de lucht. De stilte beleeft men niet meer; alles is gemotoriseerd en het paard, het trouwe huisdier, is uitgerangeerd: De onrust raast langs hoge wolk' en wegen. De stilte sterft en het is alles vaart. De drift tot vluchten ijlt den ander tegen, waarheen, waartoe, op aarde en hemelwaart?
Bergen en winden worden overstegen en overal brult het waar het wijkt of naart1). Maar doodstil wachtend, met het hoofd genegen, staat langs die vóórtvlucht het verénkeld paard.
Het jagen en razen is uit hebzucht, om steeds meer te willen bezitten, maar er zit ook een heimwee achter, een heimwee naar hetgeen de mens onbewust mist. Hij is op reis en er is geen stilstand en zo vliegt cle mens naar de eeuwigheid. In het slot van het sonnet horen we dat:
De hebzucht en het heimwee spat tot vonken, zij overtroeft, maakt doden en passeert. De wereld is van haast en pronken dronken en vliegt dezelfde paden langs en keert.
De mens wil weg, waar grenzen zijn verzonken en onbewust hij d' eeuwigheid begeert.
a) naart = nadert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1967
Daniel | 16 Pagina's