Even tussen door ........
Ds. A. B. W. M. Kok, bekend door zijn boekje „Verleidende Geesten", schreef enkele maanden geleden over „een rare kostganger in het Koninkrijk Gods", namelijk
(I)
(I) Budding heeft in Zeeland een grote invloed gehad. Zijn diep-ernstige, gloedvolle prediking was gezocht.
We zullen enkele voorvallen uit het leven van ds. Budding de revue laten passeren. Hij was een eigenaardig man, een zonderling, die niet gemakkelijk in een gareel kon lopen. Hij was een man die kon vertellen van kennelijke gebedsverhoringen, ook een man van de liefde, die door zijn milddadigheid algemeen geliefd was. Eerst was hij, kort, Ned. Herv. predikant in Biggekerke (Walcheren).
Na zijn afzetting was hij een poosje reizend predikant, tot hij zich aansloot bij de afgescheidenen in Groningen.
Vrij spoedig vertrok hij naar samen met enkele gelovigen. Amerika,
Hij kreeg daar de beschikking over een grote boerderij. Daar kon de onrustige dominee het ook niet uithouden en kwam weer terug naar Nederland.
In Goes stichtte hij in 1852 een eigen gemeente.
Omdat bij hem het gevoel, de emotie, overheerste, konden er vreemde dingen gebeuren. Hij kon geweldig opvliegen en driftig zijn en tegen alles in zijn zin doordrijven. Daardoor (hoe bestaat het! !) nam zijn populariteit toe. Hij werd voor zijn volgelingen „een afgod".
Een koppig man
Enkele voorbeelden: Soms was er in de kerk iemand tegen wie hij iets had. Dan kon hij niet preken, stond een poosje, kokend van woede, op de preekstoel en liep dan weg zonder iets gezegd te hebben.
gezegd te hebben. Zelfs zo iets vonden de mensen stichtelijk en eerbiedig fluisterden ze elkander toe: „Hij heeft de Geest niet." Ze waren blij, dat ze zo'n „geestelijke" dominee hadden. Als er slecht gezongen werd kon hij 3 a 4 maal toe een psalmvers opnieuw laten zingen, met de opmerking: „Overdoen hoor! als we niet zingen kunnen, kunnen we ook niet preken."
Het kwam ook wel voor, dat er naar zijn gedachte „een ban in het leger" was. Dan kon hij ineens niet verder preken, wierp zijn mantel over de preekstoel en liet de gordijnen van de kerkramen dicht doen, want de kerk moest in de rouw.
Die ban werd dan soms weggebeden of ook wel weggezongen. Dan moesten de mensen vers op vers zingen tot ze geen stem meer over hadden. Als dan de ban weg was, volgde er een preek zo „dierbaar", dat de mensen ademloos luisterden.
In 1858 kreeg hij het opeens in zijn hoofd: de gemeenteleden moesten de psalmen (naar de berijming van Datheen) op hele en halve noten zingen, want „die schrapjes staat er niet voor niemendal."
Het viel te verwachten, dat een storm zou opsteken en velen hardnekkig aan de oude zangwijze zouden vasthouden door zoals steeds op lange noten te zingen. Budding schreeuwde daartegen in: „Ho, dat is niet goed! Overzingen!"
De voorzanger weigerde langer voor te zingen.
Toen greep hij een van de kerkgangers, die blijkbaar een voorstander was van de nieuwe zangwijze, naar het voorlezersbankje — deze moest het werk van de opposant overnemen. Maar hiermede was de storm niet bezworen.
Velen hielden de mond stijf dicht en gingen Budding woedend zitten aankijken. Deze werd toen zo boos, dat hij hen met „de bende van Korach, Dathan en Abiram" vergeleek en toen de ontevredenen vertrokken waren uitriep: „Nu is 't wat opgezuiverd."
Hij stond nergens voor. Wanneer hij een meisje zag, dat naar zijn zin niet fatsoenlijk genoeg gekleed was, klom hij van de preekstoel af, breide zijn handen over het hoofd van zijn slachtoffer en bad God of Hij haar de kracht mocht geven die „drekgoden voor de mollen en vledermuizen weg te werpen."
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1967
Daniel | 16 Pagina's