JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Zending van de Broedergemeente

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zending van de Broedergemeente

Richtlijnen van het thuisfront

4 minuten leestijd

de Broedergemeente Richtlijnen van het thuisfront

De Graaf Von Zinzendorf was de grote organisator van de zending, door de Broeders bedreven. Hij was de spil waar alles om draaide. Hij bezocht de zendingsposten niet, maar wist bijna alles wat op de zendingsvelden voorviel. Tweemaal is hij in Amerika geweest, maar wat er in de andere delen van de wereld voorviel, daar verdiepte hij zich ernstig in. Hij wist heel goed, dat de zendelingen zich niet op hun geestdrift moesten verlaten, maar er was meer nodig: zij moesten duidelijk weten welke boodschap zij hadden te brengen. Bovendien moesten zij op alle mogelijke vragen een antwoord gereed hebben en zij moesten tegenwerpingen kunnen weerleggen.

De zendelingen in het begin van de grote Broederakties onder de heidenen waren maar armelijk bedeeld, geestelijk en stoffelijk. Dat zij met weinig tevreden waren blijkt wel uit een smeekbede uit Groenland, waarin wij lezen: „Als kleding hebben wij onvoorwaardelijk nodig: per persoon twee hemden, twee paar kousen en iedere broeder een buis. Wat de Groenlandse kleding betreft moet iedere broeder jaarlijks een zeehondepels en een paar broeken hebben; dit zijn vijf vellen voor iedere broeder, de zus'ters hebben jaarlijks een of twee schorten van zeehondevel nodig, elke schort twee vel. Met de zeep kunnen de zusters spoedig reeds

niet meer toekomen, daar er steeds meer kinderen komen en er steeds meer te wassen valt."

Er was een geregelde correspondentie tussen het zendingsfront en het thuisfront. De zendelingen gaven mededelingen en vroegen raad; Zinzendorf zond „herderlijke" brieven terug. In die brieven lezen wij onder meer: „U moet tot het onmogelijke toe volhouden, maar ook een open oog hebben voor de wegen van de Heiland, die uit de moeilijkheden leiden, en voor het overige de uitkomst getroost aan God overlaten." Vervolgens moesten de Broeders tegenover de heidenen „een vrolijke en opgewekte geest tonen en uiterlijk ook niet in het minst over de heidenen heersen, maar door geestkracht respect inboezemen, in het uiterlijke echter zich zoveel mogelijk deemoedig tonen onder hen."

De wijze raad, de instrukties en de vermaningen legde Zinzendorf vast in geschriften, zoals „Een instructie voor de zendelingen onder de heidenen in het Oosten, " na twee jaar gevolgd door „Instructie voor alle zendelingen onder de heidenen." Enkele jaren daarna, in 1740, volgden „Project voor onze zendelingen voor een algemene heidencatechismus" en „Methode om de wilden te bekeren."

In die geschriften blijkt dat Zinzendorf de opdracht van een zendeling ziet om andersdenkenden tot Christus te brengen; de „gemeente van Jezus" omvat allen die in Christus geloven. IIet gaat er bij hem dan ook niet om om roomskatholieke, lutherse of calvinistische christenen te maken, maar mensen in het algemeen tot het geloof te brengen. Zijn streven is niet om stammen en volken in hun geheel te dopen, want dat zou slechts tot hoogmoed leiden, door hoge cijfers van dopelingen te kunnen tonen. Neen, de zendelingen moeten trachten om eerstelingen te winnen, of zoals hij het zelf uitdrukt „om behouden te worden is niets anders nodig dan in Jezus te geloven, en wie de heidenen, eer zij behouden zijn, iets anders leert, maakt hen tot weters en verhindert hen juist door de leer tot bekering te komen."

Het voorbeeld van het leven van de zendeling slaat hij zeer hoog aan. Er moet geen prediking worden opgedrongen, maar de heidenen moeten geprikkeld worden te vragen hoe het komt dat deze zendelingen zo leven.

En wie moesten, volgens hem, zendeling worden? Ieder, die op grond van eigen geloofservaring, een getuige van Christus wou zijn.

In de oude berichten, waarin staat dat er zendelingen werden uitgezonden, lezen wij „hij heeft de drang in zich gevoeld."

voeld." Om getuige van Christus te zijn, geelt het niet of men te doen krijgt met heren of knechten, met hoofden of slaven; allen hebben dezelfde genade van God nodig.

De zendelingen mochten ook geen aansluiting zoeken bij de heersende klasse van koloniale ambtenaren, planters en kooplieden; zij mochten zich niet dooide overheden laten beïnvloeden, om onafhankelijk te blijven van elke koloniale politiek.

In deze tijd werden de heidenen geïdealiseerd. De wilden, zo zei men, waren onbedorven natuurkinderen; de Europeanen waren door de kuituur bedorven. Zo was het echter niet. Zinzendorf schrijft: „Als zij maar even op de hoogte komen van onze wellustige vermaken, doen zij er meteen aan mee. De Groenlanders hebben het stelen reeds geleerd en de Indianen zuipen als beesten."

De wilden waren ook niet in een toestand zoals de lutherse theologie leerde. De Luthersen zeiden dat de heidenen in een toestand van verharding leefden. Maar Zinzendorf sprak: „Zij zijn zondaren, precies als wij."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1967

Daniel | 16 Pagina's

Zending van de Broedergemeente

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1967

Daniel | 16 Pagina's