Grepen uit de letterkunde
Kerstfeest in poëzie.
De eeuwen door is de wondere geboorte van Gods Zoon bezongen. Geen wonder, het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien, degenen die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.
Koe vaak zijn de volken onderdrukt en leefden de mensen in angst en vrees. En als er dan een boodschap klinkt van verlossing, hoe aangenaam moet zulk een tijding dan zijn!
Wie zou geen vrede op aarde wensen, als wij voortdurend opgeschrikt worden door oorlogen en geruchten van oorlogen! Als er dan een Koning des vredes zal verschijnen, wie zou daar niet reikhalzend naar uitzien?
De geboren Koning wordt meestal neergehaald tot een aards koning en de vrede wordt slechts beschouwd als een vrede tussen de inwoners der aarde.
Dat wij in oorlog met God zijn, wordt bijna niet gehoord; dat Jezus zo diep vernederd moest worden, was nodig om de mens, gezonken in grondeloze modder, op te halen. Wij hebben God de oorlog verklaard en nu kwam de grote Middelaar om Zich te stellen tussen God en de gevallen mens, om vrede met God aan te brengen. Dat is een vrede, die alle verstand te boven gaat.
Ambrosius (340—397) heeft een gedicht geschreven over „Licht van des Vaders heerlijkheid", waarin we deze coupletten lezen:
O hemels licht, dat God ons geeft, licht dat in licht zijn oorsprong heeft, o Zoon, o zuivere fontein, ons daglicht, onze zonneschijn.
Ja onze zon die stralend staat, die dag en nacht niet ondergaat, geef dat uw geest te allen tijd in licht en waarheid ons geleidt.
O zonlicht voor ons opgegaan een lichte dag is ons bestaan vol warm vertrouwen op uw macht en zonder avond, zonder nacht.
Caelius Sedufius, die in de 5e eeuw leefde, schreef „Van 't vroeglicht van de dageraad", waarin het volgende voorkomt:
Van 't vroeglicht van de dageraad tot waar de zon weer ondergaat, zingt elk den Koning Christus eer, het Kind der maagd is onze Heer.
Het is de schoot der reine maagd die hemelse genade draagt en zwelt van een geheimenis, dat voor haar zelf verbergen is.
Hem is het die zij 't leven geeft, dien Gabriël verkondigd heeft; en wien de Doper hulde bood, opspringend in zijn moeders schoot.
Luid klinkt het lied van 't engelenkoor: Ere zij God, de hemel door. Aan herders wijst het in de stal de grote Herder van 't heelal.
In „Uitspanningen" schreef Van Lodensteyn over de maagd Maria. De moeder van Jezus zegt daar:
O, onbegrijpelijk en grondeloos besluit! Die de hemel heeft gemaakt mij, zijn needrig schepsel naakt en kiest mij tot zijn bruid! Mij dunkt die woorden van die hemelse gezant
klinken mij nog in het oor, als hij mij begeerde voor dat uitverkoren pand; dat begordet met gena zou bezwangerd zijn en dra baren 's hemels Zoon, die zijn Vaders troon,
troon, die zijn eeuwig deel laten zou en heel weer erven tot Zijn loon.
Mijn stil' gelatenheid zei niets dan: Ziet Uw maagd,
Heer: Uw wil is altijd goed en Uw woord waarachtig: doet met mij als 't U behaagt. Wat kan 't geloof niet al, als 't stille liefde draagt?
liefde draagt? Heil uit hopeloze nood, elders 't leven uit de dood en hier een vruchtbre maagd. Nu zal d' onbevlekte jeugd zich voortaan in minnevreugd gaan vermaken: want 't overdierbre Pand dat ik nu verwarm, valt mij haast uit d' arm
en steekt mijn hart in brand. d' arm
Het is wel eigenaardig, dat Van Lodensteyn dit gedicht niet geschreven heeft in de adventstijd, maar op de 25e januari, een maand na het Kerstfeest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1966
Daniel | 16 Pagina's