De bekering
(5)
„Ik kan mezelf niet bekeren". Dat kunnen we overal horen. En als het oprecht is, mogen we daar blij om zijn. Want ik geloof dat dat een van de wezenlijkste trekken van het genadeleven is: zien dat het van onze kant niet kan. Maar vaak is het theorie, zondige praat.
Dat kunnen we wel nagaan bij onszelf. Als dat zo is, moeten we dat nooit meer zeggen voor we dit in het gebed tegen de Heere hebben gezegd en voor we biddend in de Schrift zijn gaan lezen. Dan bemerken we dat de Bijbel onze onmacht, ja zelfs onze onwil „toegeeft."
Nog sterker: de Schrift ontdekt ons daaraan, beschuldigt ons ervan. Dan zien we dat er niet één is die God zoekt, niet één is die naar Hem vraagt, dat er nog nooit één is geweest die zich heeft kunnen bekeren als Adamskind. Als we dat mogen beseffen, wordt het „God moet me bekeren" ineens de enige mogelijkheid. We zien dat dan niet meer als een grillig noodlot, maar als de enige redding. De Bijbel leert ons dat God Zijn Zoon heeft gezonden, en Die alleen heeft Zich met eerbied gezegd kunnen „bekeren", Die alleen is gehoorzaam geweest aan het gebod Gods. Hij is een vloek geworden, omdat wij onbekeerlijken vervloekt zijn. „Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem" (2 Cor. 5). Nee, dit wordt ons gewoonlijk niet in een dag duidelijk, bewust en persoonlijk, maar toch heeft de Heere beloofd hen die Hem nederig te voet vallen, die weg te willen wijzen.
Als de Heere ons iets heeft laten zien van onze verkochtheid onder de zonde, onze volkomen gebondenheid, dan kunnen we het oprecht zeggen: ik kan me niet bekeren. Maar dan zullen we ook leren: ik mag me niet bekeren. Daar zou de Heere geen genoegen mee kunnen nemen, want onze gerechtigheid moet overvloediger zijn dan die der Farizeeën en Schriftgeleerden. Dan gaan we iets van Zondag 5 uit de H.C. begrijpen. Waar dit eerlijk leeft, daar volgt ook: ik hoef me niet te bekeren. Niet mijn bekering, niet mijn bekeerdheid, maar ons „zoeken van ons leven buiten onszelf" komt in aanmerking.
Nee, zelfs dat zoeken niet, zelfs ons geloof niet, maar alleen Hij-buiten-onszelf, Hij Die Zelf het verlorene zoekt. De prediking kan ons in zulke omstandigheden nooit vaak genoeg zeggen dat we machteloos en willoos zijn, want dat beamen we van harte. En het wonder wordt des te groter als er voor zulke onbekeerde onbekeerlijken gewezen wordt op de Weg buiten henzelf. Mag ik, om dit antwoord te besluiten, een stukje Erskine 14 ) aanhalen? „Het is waar, gij kunt niet geloven. Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke! En toch wordt gij geboden te geloven, niet door ons, maar door die God Die roept de dingen die niet zijn alsof ze waren, en Ilij gebiedt u, onmachtige zondaren, die dood zijt door de zonde, in de Naam Zijns Zoons te geloven op-
dat ge uit een gevoel van uw onmacht het werk aan Hem moogt overdragen, als de overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Zijn gebod is het voertuig van Zijn macht.... Volhardt in het horen van het Woord, en tracht het met het geloof te mengen. Volhardt in het gebed, en tracht te geloven dat God u zal horen, en wacht in die weg op de Heere." Is in deze volslagen afhankelijkheid van het Woord niet begin en voortgang van de bekering gelegen?
„Ik weet niet of ik uitverkoren ben." In dezelfde preek zegt Erskine dat dat ook onmogelijk is, „aangezien onze verkiezing van God alleen gekend wordt door de roeping van het Evangelie te gehoorzamen, waarom ons in 1 Petr.
1 : 10 wordt geboden ons te benaarstigen onze roeping en verkiezing vast te maken. Aangezien het dan niet de verordineerde genoegzaamheid van de verkiezing is die wij moeten prediken, welke ons tot de verborgen besluiten Gods zouden afvoeren, die niet voor ons zijn, moet het noodzakelijk de innerlijke en wettelijke genoegzaamheid van de dood van Christus zijn, die als de grond van het geloof van zondaren van het menselijk geslacht moet worden voorgesteld." Fil. 2 : 1.2 en 13 zijn in dit verband zeer opmerkenswaardig.
„Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven, want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen." Dat zouden wij zo niet gezegd hebben, want wij praten zo: je moet je bekeren, maar God moet het doen. Paulus zegt: want Ik dacht dat we hierbij minstens twee zaken ter harte moesten nemen. Eerstens, we moeten ons benaarstigen, maar met vreze en beven, steeds onszelf wantrouwend, in het besef dat de zonde aan de deur ligt. Ten tweede, dit moeten we temeer voorzichtig doen, omdat wij Gods werk kunnen „tegengaan", de Heilige Geest kunnen bedroeven, want wij zijn het niet zelf die onze zaligheid werken, maar God. Mogen we hier misschien ook een troost in lezen voor een steeds weer in zichzelf teleurgestelde: Weest zo ijverig als maar mogelijk is, maar doe het met vreze, met eerbied voor God, want u hoeft het zelf niet te doen, maar Hij zal Zelf getrouw blijven dwars door al uw ontrouw heen, Hij volvoert Zijn welbehagen.
Wordt de verkiezing van Gods welbehagen dan geen troost? Als God niet had verkoren, wie zou er dan zalig \\ orden?
„Ik heb wel een verandering meegemaakt, en een sterke liefde voor de Heere en Zijn dienst gekend, maar nu is het zo koud en onverschillig bij me." Deze vraag werd ook in Merksem gesteld, zodat ik er ook hier iets over probeer te zeggen, hoewel dit zeer persoonlijk en teer ligt. Ik geloof dat we ons in de eerste plaats moeten realiseren dat zulke donkerheden meestal door eigen schuld zijn. Wij moeten bij onszelf nagaan of bijzondere zonden hier misschien aanleiding toe kunnen zijn, en daar in het gebed mee bezig zijn. Toch is hiermee niet het laatste gezegd, dacht ik. Is het immers niet vaak zo in het leven van Gods kinderen dat na een tijd van aanvankelijke liefde en een hartelijk leedwezen over de zonde, een periode van koudheid en onverschilligheid aanbreekt? Gebeurt het niet velen dat ze denken bekeerd te zijn, niets meer te missen als ze in het begin getrokken worden door Gods goedertierenheid? God gaat echter verder werken met Zijn Geest. En de Geest overtuigt van zonde en gaat leren dat ook „ik" niet in de Zoon geloof, dat ik zelfs een vijand van Christus en Zijn plaatsbekleding ben. Dat is geen theoretisch lesje, maar dat wordt werkelijkheid, d.w.z. dat het ongeloof en die vijandschap werkelijk openbaar komen, gevoeld en gezien worden. Niet dat de Heere die zonde werkt, maar Hij ontdekt er aan. Wij moeten leren uit welke
nood en dood wij verlost zijn. De Geest overtuigt ook van gerechtigheid, omdat Christus naar Zijn Vader is heengegaan, d.w.z. dat Hij alleen de pers getreden heeft, dat Zijn gerechtigheid alleen voor God geldt. God rechtvaardigt goddelozen. Daarom is het werk van ontdekking door de Heilige Geest zo nodig, anders worden wij rijken die op onze liefde, ons geloof, onze bekering vertrouwen. En als de Geest niet in werkelijkheid, tastbaar en „ervaarbaar" de zonde deed zien, dan zouden we nog op onze ontdekking en ellendekennis vertrouwen, om toch maar rijk en verrijkt te blijven.
De Heere houdt Zich echter over een ellendig en aim volk, dat op de Naam des Heeren vertrouwt. Zulke armoe is niet rijk in zijn armoe, maar drijft uit tot de enige Levensfontein. Daarom is die koudheid van ons leven nog wel eigen schuld, maar het drijve ons niet tot wanhoop, maar tot Hem Die zondaren tot bekering roept. God leert ons niet alleen Zijn barmhartigheid kennen, maar ook Zijn rechtvaardigheid. En juist daarin, in de gerechtigheid, wordt op het hoogst de barmhartigheid verheerlijkt. Dan is Jezus maar niet een naam, maar dan weten we van genade door Hem en in Hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1966
Daniel | 16 Pagina's