JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Het gesprek (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het gesprek (4)

6 minuten leestijd

Er wordt in onze gemeenten veel geklaagd over „wereldgel ijkvormigheid". De waarschuwingen tegen „werelds" leven zijn niet van de lucht. Accoord! Maar waar bestaat dat „werelds" leven dan uit? Velen komen, wanneer zij een antwoord op deze vraag moeten geven, niet verder dan wat opmerkingen over haardracht, kleding, vakantie (in het buitenland), radio e.d. Deze onderwerpen moest de dominee eens wat meer aansnijden in zijn preek, zo redeneren ze dan. Ze bedoelen daar mee: Dominee moest het mijn buurman maar eens goed aanzeggen!, want zelf kunnen ze door dit terrein hun pad aardig recht houden.

Dit alles is echter maar heel betrekkelijk en oppervlakkig. Het kwaad zit dieper. Paulus typeert het in Fil. 2 : 21 wel heel scherp, wanneer hij zegt: Zij zoeken allen het hunne, maar niet hetgeen van Christus Tezus is." Hier raken O wc de kern, dacht ik. Ik kan door en door godsdienstig zijn, aan de buitenkant een goed G.G.-er of G.G.-ster (ook in de kleding), die weet hoe er (niet) gepreekt moet worden en waar „niks op aan te merken valt", iemand met zgn. „liefde voor de waarheid", maar intussen dóór en dóór werelds omdat ik voor mezelf leef en niet het leven ken van Paulus, die zegt: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij." (Gal. 2 : 20). Een van onze predikanten zei eens dat dit vooral te merken was aan de gesprekken die wij voeren. Inderdaad. Er wordt „onder ons" ontzettend weinig gesproken over de Bijbel, over geloof en bekering, over het leven van de Christen in de wereld. Bedroevend weinig! Ja, wel — denk maar aan het koffieuurtje na de zondagochtendkerkdienst — over het (te) vlugge zingen, het moderne meisje, de (te) korte preek, het spelen van een gezang door de organist na de dienst enz., maar niet over: Wat zei de Heere tegen ons vanmorgen? " Verder kunnen ook nog aan bod komen onderwerpen als: alaris, meisje, baan, vakantie, nieuwtjes uit de gemeente, maar daarmee is de kous af. (In de meeste,

gelukkig niet in alle gevallen). In deze dingen zijn we m.i. wereldgelijkvonnig. We spreken vrijwel altijd over dingen waar „de wereld" het alleen maar over heeft: ver wat wc zullen eten, wat we zullen drinken en waarmee we ons kleden. Net als in Noaclis dagen. (Matth. 24 : 37-39). Het verkeerde is niet dat we erover spreken, maar

dat we er alléén maar over spreken. Zelfs in onze godsdienstige gesprekken gaat het veelal over dogmatische standpunten, over „zo en zo zal het toch moeten gaan", over „hoe ik vind dat er gepreekt moet worden, hoe ik vind dat de kerk moet zijn." Nogmaals: hier zit de fout, veel meer dan in allerlei uiterlijkheden. Wc wéten allemaal dat de

Bijbel zegt: „Er is niemand die God zoekt, " en: „tenzij dat iemand wederom geboren wordt" en: „gelooft in de Heere Jezus Christus". We wéten dat er staat: „Wendt u naar Mij toe alle gij einden der aarde" en: „gij zijt het zout der aarde" en: „het einde aller dingen is nabij." Maar.. . . spréken doen we er niet over met elkaar, van hart tot hart, vanuit de Bijbel. Het Woord komt niet aan het woord!

In de tweede plaats kennen we de „binnenkamer" niet meer, het rustig alleen zijn met Gods woord en in gebed. Ontstellend is het dat zoveel jongeren en ouderen niet tot persoonlijk Bijbellezen komen en geen plek kennen waar ze even alleen kunnen zijn. Geen plek zoeken soms. We hebben het druk, zeggen we dan, of: we kunnen echt geen eenzame plek vinden. Onzin! We willen niet. We durven niet. En wanneer we klagen dat we al zo lang onder de prediking verkeren en al zolang gebeden hebben om bekering en nog onbekeerd zijn, of zo twijfelmoedig zijn vaak en maar geen zekerheid kennen of telkens weer zo meegetrokken worden in de wereld of zo weinig opwassen in de kennis en genade van de Heere Jezus Christus dan moeten we ons eens afvragen: Welke plaats neemt het Woord van God in ons leven in? Moeten we het van de zondag hebben en gaan we dan die „nare week" weer in? Of moeten we het van de avondmaalstijden hebben, waarna weer „een donkere periode" volgt? O nee, ik zeg niet dat dat geen hoogtijden zijn of in ieder geval kunnen zijn. Ongetwijfeld, want juist dan wil de Heere uit genade „teerkost op de weg" geven. Maar dat wil niet zeggen dat het Woord niet iedere dag een plaats moet hebben in ons leven; dat we er iedere dag de tijd voor moeten nemen. Lees maar eens wat David zegt in heel psalm 119. Niemand hoeft te vragen of hij als koning, met zijn drukbezette leven, niet de tijd nam voor de Heere en Zijn Woord. Kunnen we het hem nazeggen: „Ik heb uw rede in mijn hart verborgen? " (vs. 11).

Verder: laten we ons ervoor wachten over „geestelijke dingen" vrijblijvend tc praten, zo op een afstand. Dan ontwikkelt zich, zoals ik zoëven al zei, een uitwisseling van „waarheden", dan zet men een „boom" op. Sommigen weten haarfijn „de ligging" van een dominee te bepalen, anderen weten of de man al of niet „te ver" preekt en ga maar door. Van een persoonlijke betrokkenheid bij deze dingen is echter niets te bespeuren. Het gebeurt veelal op een koude manier en „als een natuurlijk mens" die „liefde voor de waarheid" heeft.

Gelukkig verandert dit wat. Vooral ook onder jongeren, zoals ds. Rijksen onlangs schreef. We mógen ook niet „zomaar" over deze dingen spreken. Het moet altijd zo gaan dat we beseffen dat God ons persoonlijk aanspreekt in Zijn Woord. We proberen Hem met onze gesprekken zo vaak „van het lijf te houden" en een tussenpositie in te nemen: wél gedoopt, wél goed G.G.-lid, wél „liefde voor de waarheid" wél voorstander van een „mime preek", maar tóch onbekeerd, géén levend lidmaat, geen liefde voor dé Waarheid.

De Heere zegt: daarom, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, zo zal Ik u uit Mijn mond spuwen!" Geldt dat ook van ons? De apostel Petrus zegt: En het einde aller dingen is nabij; weest dan nuchteren en waakt in de gebeden." (1 Petr. 4 : 7). We kunnen nu de zaken omdraaien en zeggen: e hebben helemaal geen tijd voor onbenullige gesprekken, we hebben helemaal geen tijd voor „grote bomen", helemaal geen tijd voor dat geredeneer op een afstand. Als mensen in een brandend huis zitten gaan ze ook geen gesprekken houden over de oorzaak van de brand en over de brandweer maar ze beraadslagen met elkaar wat ze moeten doen om gered te worden en om zoveel mogelijk mensen te redden want er

is haast bij. Zo is het ook nu. „Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maran-atha!" Jezus komt!

(Volgende keer wil ik besluiten. Dan komen enkele dingen die misschien nu nog vragen opwierpen, aan de orde.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1966

Daniel | 16 Pagina's

Het gesprek (4)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1966

Daniel | 16 Pagina's