JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

JEREMIAS DE DECKER (1009-1666)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JEREMIAS DE DECKER (1009-1666)

4 minuten leestijd

In december zal het 300 jaar geleden zijn dat Jeremias de Decker in het huis van zijn zuster te Amsterdam overleed. Een paar dagen vóór Kerstdag werd hij in de Nieuwe Kerk begraven.

Zijn vader schijnt van een aanzienlijk brabants geslacht afkomstig te zijn geweest. Later week hij uit naar Ncord-Nedarland en zo werd Jeremias te Dordrecht geboren in het jaar dat het Twaalfjarig Bestand een aanvang nam. Sorns wordt Amsterdam als de geboorteplaats van de dichter genoemd. Het is in elk geval zeker dat Jeremias kruidenier werd in de Amstelstad, waar hij bleef wonen tot zijn dood toe.

Dr. Karsemeyer, die een proefschrift over De Decker schreef, noemt de dichter een man van ongemene bescheidenheid. Hij hield er dus niet van om op de voorgrond te staan. Had hij dat wel gedaan, dan zou hij wellicht meer bekendheid hebben verkregen.

Door zelfstudie had hij zich verscheidene vreemde talen eigen gemaakt en hij was degelijk wetenschappelijk onderlegd. Dat blijkt wel uit zijn werk. Rembrandt, waarmee hij bevriend was, schilderde zijn portret. Onder de titel „Rijmoefeningen" gaf hij zijn gedichten uit. Er zijn enkel 17e en 18e eeuwse drukken van. Alleen Goede Vrijdag is later afzonderlijk uitgegeven in de „Zwolse drukken en herdrukken". Het grote gedicht „Goede Vrijdag" heeft als ondertitel „Ofte het lijden onz.es Hoeren Jezus Christus". Zeer bekend is hiervan:

Ik hoor de spijkeren met ijselijke slagen Door hout en handen jagen, 't Geklop gaat overhand; De wreedheid treft bij beurt, dan d' een dan d' ander hand. Nu zal ze gaan aan 't hout de tere voeten hechten. Daar smijt ze door de rechte, Daar door de slinke heen, Amij, wat slaan is dat! dat knerst door vlees en been. Men recht het hout omhoog. Ach, ach, dat dreunen, draaien, Dat waggelen en zwaaien Dan van dan na de grond, Is elk hier weer opnieuw een slag in elke wond.

Hij protesteerde tegen onrecht en misstanden, in de kerk en daarbuiten. Zijn dichtbundels schijnen veel verkocht te zijn. Een ander gedicht is:

Op 't spreekwoord: elk vogeltje is gaarne, waar 't gebroed is.

Hier volgt het:

Men zegt dat al de lust in vergelegen landen, Wijd van geboorteplaats, ons niet zo zoet en is — Als slechte en rechte spijs op ongepronkte dis, Bij eigen huis en hof bereid van vriendenhanden.

Schijnt dit als door natuur geprent in onz' verstanden, En houdt men 't door verzoek (ervaring) voor zeker en gewis, Zo geef, mijn ziele, gij hiervan getuigenis, Gij, die hier zwerft en zweeft langs onbekende stranden;

Gij, hier een vreemdeling, een vreemde niet alleen, Maar staag van ongemak belegerd en bestreen. Wat lust het u dus (zo) lang in ballingschap te steken?

Op, op, vlieg hemelwaart, vlucht naar uw vaderstad, Daar u een heil verbeidt, van 't harte nooit gevat, Van 't ore nooit gehoord, van 't oge nooit bekeken.

Misschien is de rechte zin van dit sonnet voor sommigen niet zo duidelijk. Het is jammer dat men naar het gedicht niet meer omkijkt, als het bij de eerste lezing niet treft. Dan zijn er, die vinden dat het boven hun verstand gaat en ze zeggen: dat is niets voor mij.

Vele gedichten zal men pas goed verstaan, na herhaalde lezing er van. De Decker heeft eigenlijk de sleutel tot dit gedicht al gegeven in het opschrift: elk vogelke is gaarne waar 't gebroed is. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens, kunnen wij er ook voor nemen. En dan gaat de dichter zeggen, dat het in de vreemde nooit zo goed gaat als thuis. Het beste voedsel smaakt in de vreemde nog niet zo goed als het eenvoudigste eten thuis.

En dan zegt de dichter: Welnu, ik ben in de vreemde; wat zou ik dan in die vreemdelingschap blijven? Hij spreekt zijn ziel aan en zegt: Vlieg hemelwaarts, want daar is uw vaderland. Onwillekeurig denken wij

hier aan hetgeen Pauius sprak tot de mannen van Athene, dat wij van Gods geslacht zijn. De dichter is ook van Gods geslacht. En denk dan nu eens aan het spreekwoord.

Het slot van het sonnet spreekt dan veor zichzelf: wij horen hier over het heil, dat bereid is voor degenen, die God vrezen; geen oor heeft het gehoord, geen oog heeft het gezien en het is in het hart van de mens niet opgekomen.

Er zou ook nog over de Puntdichten van De Decker kunnen gehandeld worden, maar nu is het genoeg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1966

Daniel | 16 Pagina's

JEREMIAS DE DECKER (1009-1666)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1966

Daniel | 16 Pagina's